Изучаем нидерландский язык с нуля!
Урок 8

Уроки с 7-го и далее будут доработаны в будущем. Ключей и исправлений пока нет.

Fonetiek: Согласный [ʒ].

Произношение слов иностранного происхождения. Ударение в производных глаголах.

Thema:

Maanden. Dagen van de week. Tijd. Studie. Месяцы. Дни недели. Время. Учеба.

Voorbeelden:

Welke dag is het vandaag? – Какой сегодня день? De hoeveelste is het vandaag? – Какое сегодня число? Hoe laat is het? – Который час? ’s Morgens (’s Middags, ’s Avonds) doe ik ... . – Утром я ... . (Днем я... Вечером я... .) Thuis. – Дома. Naar huis. – Домой. Wanneer gaat u naar ... . – Когда вы отправляетесь (уезжаете) в ... . Is meneer... hier? – Здесь господин ...? Ik ben (precies) op tijd. – Я пришел вовремя. Ik ben te laat. – Я опоздал. Hoe lang moet ik wachten? – Сколько мне ждать? Ik wou graag ... spreken (met... een afspraak maken). – Я хотел бы поговорить с ... (договориться о встрече с ...). Ik bel u om 7 uur op. – Я позвоню вам в 7 часов. Сожаление: Het spijt mij. – К моему сожалению. Wat jammer. – Как жаль?

Grammatica:

Количественные числительные 20-99. Порядковые числительные. Предлоги времени. Возвратные глаголы. Субстантивированный инфинитив. Глаголы с отделяемыми приставками.

Согласный [ʒ]

[ʒ] g
j
[ʒ] палатализованный согласный, произносится напряженнее русского [ж] в слове «дрожжи». При произнесении [ʒ] кончик языка приподнят и образует щель у альвеол. Губы вытянуты вперед, воздушный поток направлен к середине передних зубов. [ʒ] встречается преимущественно в словах иностранного происхождения. het college
jam
jus

Spreek uit: [ʒ] [ʒ] [ʒ]

Oef. 1. Luister, herhaal, lees. Let op de letter, die [ʒ] aanduidt:

[ʒ]

horloge
college

logeren
passage

jus
jam

lees je [lе·ʒjə]
wat lees je?

kies je [ki·ʒjə]
wat kies je?

Произношение согласных и гласных звуков в словах иностранного происхождения

Последовательность столбиков: Буквенное обозначение – Звук – Пример – Позиция (только для 3-х случаев)

c

[s]

precies [pre'sis]
feliciteren [felisi 'te·rən]

Перед e, i, ij, у в начале или середине слова.

c

[k]

het college [ko'leʒə]
october [ɔk'tobər]

Перед a, o, u в начале и в середине слова.
Перед l, r, t и в конце слова.

cc

[ks]
[k]

het succes [syk'sɛs]
accuraat [aky·'ra·t]

ch

[ʃ]

chauffeur [ʃo·'fø·r]
douche ['du:ʃə]

В начале слова перед гласными и в середине слова.

x

[ks]

het examen [ek'samən]

air

[ɛ:r]

populair [popy'lɛ:r]

eau

[o·]
[o:]

het cadeau [ka'do·]
het bureau [by·'ro:]

ou

[u·]

douane [du·'anə]

y

[i·]

type [ti:p]
pony [pɔni]

Правильная ли транскрипция у Y, type и pony? Не совпадает с теорией.

on

[on]

pardon [par'don]

eui

[ø]

feuilleton [føjə'ton]

oeu

[ø]

oeuvre [ø:wr]

oi

[wa]

toilet [twa'lɛt]

Oef. 2. Lees de volgende woorden:

café, musicus, accent, accoord, vitrage, journaal, actief, taxi

В словах иностранного происхождения суффикс -um читается как [əm] и суффикс -us как [əs]:

het museum [my·seəm]
de datum [da·əm]
de cursus [kʌrsəs]

Ударение в производных глаголах

У глаголов с отделяемыми приставками aan-, af-, in-, op-, voor-, binnen- и др. ударение всегда падает на приставку, напр.:

'aankomen – прибывать
'binnenkomen – входить
'opbellen – звонить по телефону
'voorstellen – знакомить, представлять

Глаголы иностранного происхождения с суффиксом -eren имеют ударение на этом суффиксе, напр.:

felicitéren – поздравлять
(zich) interesséren – интересовать(ся)
organiséren – организовать

Oef. 3. Luister, herhaal, lees:

[a]
dag, kwart
[a·]
twaalf, maand, maandag, zaterdag, vandaag, laatst
[a:]
jaar, jarig
[ɛ]
bellen
[e·]
week, heeft, negen, zeven
[e:]
eerst, wanneer
[ɔ]
op, ons, om, zondag
[o·]
loopt, over
[o:]
voor, voorstellen
[x]
dag, zaterdag, achter, jarig, twintig, terug
[y·]
minuut
[y:]
uur

Oef. 4. Let op de uitspraak:

januari [jany'wa·ri]
februari [fɛbry'wari]
augustus [au'ɣystəs]

TEKST

MAANDEN. DAGEN VAN DE WEEK. TIJD

Elk jaar heeft twaalf maanden. De namen van de maanden zijn: januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december.

Welke maand is het nu?
Nu is het ... (september, oktober...)

Elke maand heeft dertig of eenenderig dagen. Februari heeft gewoonlijk achtentwintig dagen of negenentwintig dagen om vier jaar.

De hoeveelste is het vandaag?
Het is vandaag de vijftiende september.

Elke week heeft zeven dagen. De dagen van de week heten: zondag, maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag.

Welke dag is het vandaag?
Het is maandag vandaag.

Elke dag heeft vierentwintig uren. Elk uur heeft zestig minuten. Elke minuut heeft zestig seconden.

Hoe laat is het nu?
Het is negen uur.
Het is vijf minuten over negen (voor negen).
Het is kwart over negen (voor negen).
Het is vijf minuten voor half tien (over half tien).
Het is half negen (half tien).

GESPREK

Ad: Dag, Bert. Hoe gaat het met je?
Bert: Dag, Ad. Goed, dank je. En hoe gaat het met jou?
A.: Ik heb het vreselijk druk met mijn examens.
B.: Dat kan ik me best voorstellen. Jij interesseer je nu voor talen, niet?
A.: Ja, (in) dit jaar leer ik twee talen – Nederlands en Duits.
B.: Is Nederlands je hoofdvak?
A.: Ja, Nederlands is mijn hoofdvak en Duits is mijn bijvak.
B.: Hoeveel lessen heb je in de week?
A.: Elke week heb ik drie lessen Nederlands en twee lessen Duits.
B.: Op welke dagen heb je Nederlands?
A.: Op dinsdag, donderdag en vrijdag.
B.: Hoe laat beginnen de lessen?
A.: Om negen uur ’s ochtends.
B.: Heb je ’s maandags en ’s woensdags geen college?
A.: Ja, toch. Op deze dagen volg ik de colleges in de geschiedenis en letterkunde.
B.: En op zaterdag?
A.: ’s Zaterdags ben ik vrij. Maar dan moet ik ook werken.
B.: Loop je ’s morgens of ’s middags college?
A.: Alleen ’s morgens gelukkig!
B.: Spreken jullie veel Nederlands in de klas?
A.: We mogen alleen Nederlands spreken. Ook oefenen we ons elke dag in het talenpraktikum, in het luisteren en spreken.
B.: Helpt dat bij de studie van een vreemde taal?
A.: Nou en of! Hoe laat is het? Mijn horloge staat stil.
B.: Het is tien voor één. Mijn horloge loopt wat achter.
A.: Ik moet dan maar eens gaan. Tot straks, Bert.
B.: Tot straks, Ad.

Woorden en uitdrukkingen

alleen только
het college, -s (les aan de hogeschool) лекция; colleges volgen (lopen) in een leervak посещать лекции по предмету
colleges houden, geven читать лекции
druk: het druk hebben быть занятым
het examen, -s экзамен; een examen afleggen сдавать экзамен
gelukkig счастливый, к счастью
half наполовину
helpen помогать
het horloge, -s часы (наручные); 'gelijklopen идти точно; 'voorlopen спешить; 'achterlopen отставать
zich interesseren (voor) интересоваться (чем-л.)
kwart четверть
de letterkunde литература
de maand, -en месяц; de januari январь; de februari февраль; de maart март; de april апрель; de mei май; de juni июнь; de juli июль; de augustus август; de september сентябрь; de oktober, october октябрь; de november ноябрь; de december декабрь
de minuut, minuten минута
nou en of! еще бы!
zich oefenen in упражняться в
om в (во временн. значении при обозначении часов и минут); om negen uur в девять часов; om drie uur в три часа
ор в (во временн. значении при обозначении дней недели): op maandag в понедельник; op donderdag в четверг
precies точно; precies op tijd zijn быть вовремя
de seconde, -n секунда
de studie, -s studiën учеба
de taal, talen язык (средство общения); de vreemde taal иностранный язык
het talenpracticum, -s, -ca языковая практика (в лингафоне)
toch да, конечно (при утвердит. ответе на отрицат. вопрос); ja, toch все же, тем не менее
het uur, uren час
het (leer) vak, -ken предмет (учебный); het hoofdvak основной предмет; het bijvak вторая специальность
zich 'voorstellen (iets) представлять себе (что-л.)
vrezelijk ужасный, перен. очень
vrij hebben (zijn) иметь свободное время; быть свободным (от занятий)
de week, weken неделя; de maandag понедельник; de dinsdag вторник; de woensdag среда; de donderdag четверг; de vrijdag пятница; de zaterdag суббота; de zondag воскресенье

Onthoud:

’s morgens – gewoonlijk in de morgen обычно по утрам
’s middags – gewoonlijk in de middag обычно днем
’s avonds – gewoonlijk in de avond обычно по вечерам
’s woensdags – gewoonlijk op woensdag обычно по средам
’s maandags – gewoonlijk op maandag обычно по понедельникам
’s zaterdags – gewoonlijk op zaterdag обычно по субботам

Грамматические пояснения к тексту

1. Количественные числительные 20 – 99.

Числительные, обозначающие десятки (от 20 до 90), образуются путем присоединения к соответствующему простому числительному суффикса -tig [təx], напр.:

vijftig (50), zestig (60)

Запомните исключения:

dertig (30), veertig (40)
tachtig (80), twintig (20)

Числительные, обозначающие единицы внутри десятков (от 21 до 99), образуются при помощи союза en, причем сначала называются единицы, а затем десятки, напр.:

éénendertig (31), drieentwintig (23)

Запомните: обозначение года читается в нидерландском языке следующим образом: 1988 – negentien honderd achtentachtig. 2020 АНАЛОГИЧНО ЧИТАЕТСЯ ? можно добавить

Порядковые числительные

2. Порядковые числительные образуются от количественных при помощи окончаний -de (от 1 до 20, кроме исключений: de (het) eerste, de (het) achtste) и -ste (после 20), напр.:

de (het) vierde, de (het) zeventiende
de (het) twintigste, de (het) achtentachtigste

Порядковые числительные употребляются с определенным артиклем по роду существительного, напр.:

de eerste les
het vierde lesuur

При назывании дат (чисел) (а также дней недели) употребляются безличные предложения с местоимением het:

Het is zaterdag, (de) negen(de) september.

При вопросе о дате используется форма от вопросительного местоимения hoeveel (сколько) – de hoeveelste, напр.:

De hoeveelste is het vandaag?

3. К основным временным предлогам нидерландского языка относятся: in, op, om.

in   при обозначении года, месяца: in oktober
op в при обозначении дня недели: ор maandag
om   при обозначении часа дня: om drie uur

Для обозначения времени употребляются безличные предложения с местоимением het: Het is precies zeven uur.

Возвратные глаголы

4. Возвратные глаголы (zich interesseren, zich oefenen и т. д.) характеризуются наличием возвратного местоимения zich.

ед. ч. мн. ч.
ik oefen mij (me) wij oefenen ons
je oefent je jullie oefent (oefenen) zich
U oefent u (zich) U oefent u (zich)
hij, zij, het oefent zich zij oefenen zich

В предложении возвратное местоимение стоит непосредственно за спрягаемой формой глагола, напр.:

Ik interesseer mij voor vreemde talen.
Interesseer je je voor vreemde talen?

5. Для обозначения названия действия или состояния употребляются субстантивированные инфинитивы, состоящие из инфинитива глагола и артикля het, напр.:

het spreken – говорение
het luisteren – слушание

Ook oefenen wij ons elke dag in het talenpracticum, in het luisteren en spreken.

Каждый день мы упражняемся в лингафонном кабинете, слушаем и говорим.

6. К отделяемым приставкам глаголов относятся aan-, af-, op-, in-, voor-, binnen- и т. д. При употреблении глагола в настоящем времени отделяемая приставка ставится в конце предложения, напр.:

Ik bel je om drie uur op.
Mijn horloge loopt wat achter (voor).

Отрицание niet в таком предложении ставится перед отделяемой приставкой, напр.:

Ik bel je vanavond niet op.

Отделяемые приставки всегда ударны, в отличие от неотд еляемых, что изменяет значение слова, сравните:

'voorkomen
встречаться, происходить
voor'komen
предотвращать
Dat komt vaak voor.
Это часто встречается.
Goed werk voorkomt veel fouten.
Хорошая работа предотвращает ошибки.

Oefeningen

5. Schrijf:

23, 44, 52, 19, 38, 25, 21, 77, 25, 33, 22, 33, 24, 31

Key

6. Reken en schrijf:

en / plus / is
24 + 4 =
31 + 8 =
42 + 12 =

min / is
30 – 13 =
41 – 18 =
83 – 11 =

maal / is
17 x 3 =
14 x 5 =
13 x 4 =

gedeeld door / is
64 : 16 =
80 : 4 =
44 : 2 =

Key

7. Lees:

1. In deze klas zitten 30 leerlingen. 2. Aan deze faculteit studeren 98 studenten. 3. 38 studenten volgen het college Nederlandse letterkunde. 4. Dit meisje is op (de) 27 (ste) juni jarig.

Key

8. Antwoord:

1. Hoeveel dagen heeft een week? 2. Hoeveel maanden heeft een jaar? 3. Hoe heten de maanden? 4. Hoe heten de dagen van de week? 5. Welke maanden hebben 30 dagen? 6. Welke maanden hebben 31 dagen? 7. Hoeveel dagen heeft februari?

Key

9. Zet voort:

De eerste maand van het jaar heet januari. – De tweede maand ...

Key

10. Wanneer?

Wanneer gaat u naar Nederland? – Ik ga (in) dit jaar naar Nederland.

ЧТО ЭТО ЗА ЗАДАНИЕ? предлоги вписаны в ответах (наверное, их нужно в ответы вынести?), IN в образце в скобках...

  1. Wanneer regent het dikwijls? – Het regent dikwijls in de herfst.
  2. Wanneer gaan de kinderen naar school? – Zij gaan in september naar school.
  3. Wanneer belt u me op? – Ik bel u op vrijdag op.
  4. Wanneer bent u jarig? – Ik ben op de achttiende oktober jarig.
  5. Wanneer beginnen de lessen in je school? – Ze beginnen in de morgen (’s morgens).
  6. Wanneer (Hoe laat) beginnen de lessen in je school? – Ze beginnen om 9 uur.

Key

11. Lees gesprekken:

1.

— Wanneer gaat u naar Amsterdam, mr. (meneer) Van den Berg?
— Ik ga in december naar Amsterdam.

2.

— Wanneer ga je naar Moskou, Wim?
— Ik ga op de achttiende mei naar Moskou.

Leer de gesprekken uit het hoofd, let op de intonatie.

12. Stel dergelijke gesprekken op. Gebruik: Sint Petersburg, mei, Brussel, oktober.

Key

13. Antwoord:

Kijk naar de klok (het horloge)

Hoe laat is het?
Het is .
Hoe laat komt u?
Ik kom om uur.
Loopt de klok (het horloge) gelijk?
Die (het) loopt minuten voor.
Die (het) loopt minuten achter.
Bent u op tijd? – Ja, ik ben precies op tijd. Neen, ik ben te laat.

Key

Kijk naar de kalender

In welk jaar leven we?
We leven .
Welke maand is het nu?
Nu is het .
Welke dag is het vandaag?
Het is vandaag.
De hoeveelste is het vandaag?
Vandaag is het .

Key

14. Meneer de Wit is precies op tijd voor een afspraak (встреча по договоренности). Antwoordt:

  1. Bent u altijd precies op tijd voor een afspraak?
  2. Bent u soms te laat voor een afspraak?

Key

15. Maak zoals in het voorbeeld:

Het is vandaag 1 (één) oktober. – Het is de eerste oktober vandaag.

  1. Het is 2 september.
  2. Het is 3 december.
  3. Het is 14 februari.
  4. Het is 18 april.
  5. Het is 17 juni.
  6. Het is 12 juli.
  7. Het is 20 maart.
  8. Het is 22 mei.
  9. Het is 31 augustus.
  10. Het is 8 november.

Key

16. Antwoord:

De hoeveelste is het vandaag? 15. 10 – Vandaag is het de vijftiende oktober. Vandaag is het vijftien oktober.

1.9, 27.11, 6.5, 20.12, 29.3

Key

17. Maak zoals in het voorbeeld:

Vandaag is het maandag, de 5de september. – Morgen is het dinsdag, de 6de september.

  1. Vandaag is het woensdag, (de) 19 (de) oktober.
  2. Vandaag is het donderdag, (de) 3 (de) november.
  3. Vandaag is het zaterdag, (de) 28 (ste) december.

Key

18. Antwoord:

  1. De hoeveelste is het vandaag?
  2. De hoeveelste is het morgen?
  3. De hoeveelste is het overmorgen?
  4. Welke dag is het vandaag?
  5. Welke dag is het morgen?

Key

19. Maak zoals in het voorbeeld:

Wanneer bent u jarig? (19 januari). – Ik ben de negentiende januari jarig.

  1. Wanneer is hij jarig? (7 april).
  2. Wanneer is ze jarig? (3 juni)
  3. Wanneer ben je jarig? (30 september)
  4. Wanneer is Marijke jarig? (15 mei)
  5. Wanneer is mevrouw van Dam jarig? (14 maart)

Key

20. Antwoord:

  1. Wanneer bent u jarig?
  2. Wanneer is uw vader (uw moeder, uw broeder, uw zus, uw vriend) jarig?

Key

21. Maak zoals in het voorbeeld:

Hoe laat is het? – 3.15. Het is kwart over drie.

11.25, 9.05, 3.45, 7.35, 9.55

Key

22. Antwoord:

Wanneer gaan de kinderen naar school? (8.00) – De kinderen gaan om acht uur ’s morgens naar school.

  1. Wanneer komen ze thuis? (1.00 ’s middags)
  2. Wanneer beginnen de lessen? (9.00 ’s morgens)
  3. Wanneer komt meneer de Wit thuis? (6.00 ’s namiddags)
  4. Wanneer komt Annie bij haar vriendin? (8.00 ’s avonds)

Key

23. Antwoord zoals in het voorbeeld:

Wanneer kom je terug? (een uur) – Ik kom over een uur terug.

  1. Wanneer komt meneer Dijkstra terug? (twee uur)
  2. Wanneer komt meneer Poortman terug? (een half uur)
  3. Wanneer komt meneer Jansen terug? (een kwart uur)
  4. Wanneer komt juffrouw Ter Meulen terug? (tien minuten)

Key

24. Geef de juiste tijd aan:

Komt u om kwart over zes? (5.45) – Neen, ik kom om kwart voor zes.

  1. Gaat u om half zeven naar huis? (19.15)
  2. Komt meneer van Dam precies om vijf vandaag naar huis? (17.15)
  3. Komen de kinderen om een uur naar huis? (13.30)
  4. Komt u om half acht bij ons? (19.45)

Key

25. Antwoordt:

  1. Hoe laat is het nu (op uw horloge)?
  2. Wanneer gaat u vandaag naar huis?
  3. Hoe laat moet u thuis zijn?
  4. Wanneer komt u naar huis?

Key

26. Antwoord:

Hoe lang moeten we nog wachten? (полчаса) – We moeten nog een half uur wachten.

  1. Hoe lang moet hij nog wachten? (три часа)
  2. Hoe lang moeten jullie nog wachten? (два дня)
  3. Hoe lang moet je nog wachten? (шесть месяцев)
  4. Hoe lang moet ik nog wachten? (три четверти часа)
  5. Hoe lang moet u nog wachten? (пять недель)
  6. Hoe lang moeten ze nog wachten? (два года)

Key

27. Lees het gesprek:

— Goedemorgen, juffrouw Ter Meulen.
— Goedemorgen, meneer Dekker.
— Is meneer De Leeuw al hier?
— Neen, hij is er niet. Hij komt zo meteen.
— Wacht u nog even.
— Hoe lang moeten we wachten?
— Een half uur. / Tien minuten.

Onthoud: hij is er niet – его нет

Key

28. Stel een dergelijk gesprek op:

U moet meneer van der Veen spreken.

29. Antwoord zoals in het voorbeeld:

Ik interesseer me voor vreemde talen. En hij? – Hij interesseert zich ook voor vreemde talen.

  1. Ik interesseer me voor het Nederlands. En Annie?
  2. Zij interesseren zich voor de Nederlandse letterkunde. En Kees?
  3. U interesseert zich voor de Duitse geschiedenis. En deze studenten?
  4. Wij interesseren ons voor het Engels. En Wim?

Key

30. Maak zoals in het voorbeeld:

Ik oefen me in het spreken. En hij? – Hij oefent zich ook in het spreken.

  1. Ik oefen me in het schrijven. En Annie?
  2. Zij oefenen zich in het spreken. En wij?
  3. U oefent zich in het lezen. En Dirk?
  4. Ik oefen mij in het talenpracticum. En hij?

Key

31. Stel vragen zoals in het voorbeeld:

Ik interesseer me voor vreemde talen. – Interesseer je je voor vreemde talen? – Interesseert u zich voor vreemde talen?

  1. Ik oefen me elke dag in het spreken.
  2. Ik oefen me elke dag in het talenpracticum.
  3. Ik kan me dat wel voorstellen.
  4. Ik interesseer me voor de Nederlandse letterkunde.
  5. Ik interesseer me voor de Russische letterkunde.

Key

32. Maak zoals in het voorbeeld:

Daar interesseert hij zich (niet) voor. – Hij interesseert er zich (niet) voor.

  1. Daar oefent hij zich (niet) in.
  2. Daar interesseren wij ons (niet) voor.
  3. Daar oefenen zij zich (niet) in.

Key

33. Antwoordt:

  1. Interesseert u zich voor vreemde talen?
  2. Welke vreemde taal studeert u?
  3. Oefent u zich elke dag in het spreken?
  4. Spreekt u Nederlands in de les?

Key

34. Gebruik het werkwoord zich interesseren:

Nederlands is mijn hoofdvak. – Ik interesseer me voor Nederlands.

  1. Engels is zijn hoofdvak.
  2. Duits is haar hoofdvak.
  3. Russisch is hun hoofdvak.
  4. Frans is jouw hoofdvak.

Key

35. Maak zoals in het voorbeeld:

Dit is mijn vriend. – Stelt u me uw vriend voor.

  1. Dit is mijn vrouw.
  2. Dit is mijn man.
  3. Dit is mijn zoon.
  4. Dit is mijn dochter.
  5. Dit is mijn vriendin.
  6. Dit is mijn broer (zus).

Key

36. Maakt zoals in het voorbeeld:

Uw broer wil de kamer binnenkomen. Wat zegt u? – Ik zeg: ‘Kom binnen!’

  1. Meneer de Wit wil de kamer binnenkomen. Wat zegt u?
  2. Mevrouw De Leeuw wil de kamer binnenkomen. Wat zegt u?
  3. Uw zus wil de kamer binnenkomen. Wat zegt u?

Key

37. Antwoordt zoals in het voorbeeld:

Loopt uw horloge voor? – Ja, het loopt voor. Neen, het loopt niet voor.

  1. Loopt uw horloge achter?
  2. Loopt uw horloge gelijk?

Key

38. Maak zoals in het voorbeeld:

Zijn vriend opbellen. – Hij belt zijn vriend op.

  1. Zijn vriend voorstellen.
  2. Zijn zusje opbellen.
  3. Zich voorstellen.
  4. Zijn kamer binnenkomen.

Key

Schrijf de zinnen in de eerste persoon enkelvoud.

Key

39. Antwoord:

  1. Wanneer belt mevrouw De Wit haar man op? (4 uur ’s namiddags)
  2. Wanneer belt Annie haar vriendin op? (8 uur ’s avonds)
  3. Wanneer belt Wim zijn vriend Kees op? (10 uur ’s morgens)
  4. Wanneer belt meneer De Leeuw zijn collega op? (12 uur ’s middags)

Key

40. Lees:

De telefoon gaat.
— Met De Wit.
— Met Anton Petrow. Goedemorgen, meneer De Wit. Ik zou graag meneer van den Berg willen spreken.
Het spijt mij, maar meneer Van den Berg is er niet, hij komt wat later.
Wat jammer! Ik zou graag een afspraak willen maken met meneer Van den Berg. Goed. Ik bel hem vanmiddag nog een keer op. Dag, meneer De Wit.
— Dag, meneer Petrow.

Key

Onthoud:

Ik zou graag ... willen spreken. – Я хотел бы поговорить с ... .
Ik zou graag met ... een afspraak willen maken. – Я хотел бы договориться о встрече с ... .
Wat jammer! – Как жаль!
Het spijt mij. – К моему сожалению.

41. Maak een situatie:

— U moet een afspraak maken met meneer Dijkstra. Hoe stelt u zich het gesprek voor?

Key

— Meneer Dijkstra is er niet.
  Drukt uw spijt erover uit. (Выразите сожаление по этому поводу)

Key

42. Antwoord zoals in het voorbeeld:

Heb je het druk? – Ja, ik heb het erg druk. – Neen, ik heb het niet erg druk.

  1. Heeft ze het druk?
  2. Heeft Piet het druk?
  3. Hebben deze studenten het druk?
  4. Hebt u het druk?

Key

43. Antwoord zoals in het voorbeeld:

Wat doen de kinderen thuis? (hun lessen leren) – Ze leren hun lessen thuis.

  1. Wat doet juffrouw Droste thuis? (TV kijken)
  2. Wat doet meneer Van Dam thuis? (kranten lezen)
  3. Wanneer gaan de kinderen naar huis? (14 uur)
  4. Wanneer komen de kinderen naar huis? (’s namiddags)
  5. Wanneer komt meneer De Wit naar huis? (7 uur ’s avonds)

Key

44. Vul in: thuis of naar huis?

Mevrouw De Wit gaat om 12 uur . Om 1 uur is zij al . De telefoon gaat.
— Met De Wit.
— Met De Leeuw. Goedemiddag, mevrouw De Wit.
— Is uw man ?
— Neen, mevrouw De Leeuw, hij komt om 3 uur .
— Ik zou graag met hem willen spreken.
— Komt u om vier uur bij ons. Dan is hij zeker .

Key

45. Antwoord zoals in het voorbeeld. Let op het gebruik van het woord ‘jaar’ in enkelvoud:

Hoe lang studeert u al Nederlands? (три месяца, два года) – Ik studeer Nederlands al drie maanden (twee jaar).

  1. Hoe lang studeert u al Duits? (6 месяцев)
  2. Hoe lang studeert u al Engels? (3 года)
  3. Hoe lang studeert u al Frans? (4 года)
  4. Hoe lang studeert u al Spaans? (2 месяца)

Key

46. Maak: op maandag – ’s maandags
in de morgen – ’s morgens

1. Op maandag loop ik twee uur college. 2. Op dinsdag lopen we college bij professor Van Dam. 3. Op woensdag loop ik geen college. 4. Op donderdag loop ik een college letterkunde. 5. Op vrijdag loop ik de hele morgen college. 6. Op zaterdag en zondag lopen we geen college. 7. Op vrijdag loop ik alleen in de morgen college. 8. Op donderdag loop ik alleen in de middag college. 9. Op dinsdag loop ik in de morgen en in de middag college.

Key

47. Antwoordt:

  1. Is Nederlands je hoofdvak?
  2. Welke taal studeer je als bijvak?
  3. Hoe lang (studeer je) Nederlands?
  4. Op welke dagen heeft u Nederlands?
  5. Op welke dagen heb je Duits (Engels...)?
  6. Loopt je elke dag college (s)?

Key

48. Maak zinnen:

  1. Wat doet Bert? ’s morgens (college lopen); ’s middags (werken, aan sport doen); ’s avonds (TV kijken)
  2. Wat doet Piet vandaag (vanmorgen, vanmiddag, vanavond)? (talenpracticum hebben; het college Nederlandse letterkunde volgen; een Nederlands boek lezen)
  3. Wat doet Annie vandaag? vanmorgen (een college lopen bij professor Nagel); vanmiddag (een uitstapje maken); vanavond (haar vriendin opbellen)

Key

49. Antwoordt:

  1. Wat doet je vandaag?
  2. Wat doet uw zus (broer, vriend ...) vandaag?

Key

50. Zeg in het Nederlands:

1. Какое сегодня число? Сегодня пятница 9 октября. 2. Который час? На моих часах без пятнадцати три. Они идут точно? – Нет, они немного отстают (спешат). 3. Господин Дейкстра дома? – Нет, его еще нет дома. Когда он вернется? – Обычно он приходит домой в 4 часа. Сколько нам еще ждать? – Он придет через час. Он всегда приходит вовремя. 4. Позвоните мне, пожалуйста, вечером. – Хорошо, я позвоню вам в 7 часов вечера.

Schrijf deze zinnen op.

Key

51. Vertaal in het Nederlands:

Владимир Егоров интересуется иностранными языками. Он учится в университете. Основной язык у него – нидерландский, второй язык – английский. По понедельникам, средам и четвергам у него занятия по нидерландскому языку. Он занимается утром. На занятиях студенты говорят по-нидерландски. Они делают много упражнений (упражняются) по письму, практике устной речи, чтению. По вторникам и пятницам студенты ходят на лекции по нидерландской литературе. Это помогает изучению иностранного языка.

Key

52. Antwoordt:

1. Interesseert u zich voor vreemde talen? 2. Welke vreemde talen studeert u? 3. Wat is uw hoofdvak? 4. Welke vreemde taal studeert u als bijvak? 5. Op welke dagen heeft u Nederlands? 6. Welke colleges volgt u? 7. Spreekt u veel Nederlands in de klas? 8. Oefent u zich elke dag in ’t talenpracticum? 9. Helpt dat bij de studie van een vreemde taal? 10. Wanneer heeft u uw examens? 11. Op welke dag heeft u vrij?

Stel deze vragen met ‘je’ in plaats van ‘u’.

Key

53. Vraag in het Nederlands:

  1. Какой сегодня день?
  2. Какое сегодня число?
  3. Который час?

Key

54. Situaties:

1. Het is vier uur ’s namiddags. Meneer De Leeuw is nog niet thuis. Wat zegt u tegen zijn vrouw? 2. U hebt geen horloge. Hoe vraagt u iemand naar de tijd? 3. U schrijft een brief. Hoe vraagt u naar de datum? 4. U wilt uw vriend feliciteren. Hoe vraagt u hem naar zijn geboortedatum? 5. U hebt examens. U hebt weinig tijd. Hoe zegt u dat? 6. U loopt ’s zondags geen college en wilt een uitstapje maken. Hoe zegt u dat? 7. Uw vriend spreekt goed Nederlands. Studeert hij deze taal al lang? Vraag dat. 8. U wilt uw vriend zien. Waar en wanneer? Hoe laat? Spreekt het met hem af. 9. U kunt voor een afspraak niet op tijd komen. Bel hem (haar) op, druk uw sprijt uit en zeg wanneer (hoe laat) u komt. 10. Meneer Jansen komt bij u. Nodig hem in de kamer uit.

Key