Изучаем нидерландский язык с нуля!
Урок 15

Уроки с 10-го и далее будут доработаны в будущем. Ключей и исправлений пока нет.

Thema: Reizen. Перевод

Voorbeelden:

Hebt u een goede reis gehad? – Вы хорошо доехали? Wanneer vertrekt de trein (het vliegtuig) naar ...? – Когда отправляется поезд (вылетает самолет) в ...? Hoe lang duurt de reis (de vlucht) naar ...? – Как долго ехать (лететь) до ...? Hoe ver is het dan naar ...? – Как далеко до ...? Hoe laat vertrekt de bus naar de luchthaven? – Когда отправляется автобус в аэропорт? (Geeft u alstublieft) twee kaartjes (twee retourtjes) tweede klas naar ... – (Дайте пожалуйста) два билета второго класса (два билета туда и обратно) до ... Van welk perron (welk spoor) gaat de trein? – С какого перрона (пути) отправляется поезд? Ik heb twee kaartjes (tickets) nodig voor het vliegtuig van dinsdag ... augustus naar ... – Мне нужно два билета на самолет до ... на вторник ... августа. Onze vlucht (reis) is nummer ... – Наш рейс номер ... Is de vlucht (reis) nummer... al aangekondigd? – Уже объявили посадку на рейс номер ...? Goede reis! – Счастливого пути!

Grammatica:

Формы сослагательного наклонения. Условные предложения. Уступительные придаточные предложения. Временные придаточные предложения с союзами sinds (sedert), totdat. Субстантивированные прилагательные.

PER TREIN

Jan: Wil je met de tram of met de bus naar het station? Ongelukkig genoeg is mijn auto net bij de garage.
Mies: Kunnen wij niet met een taxi gaan?
J.: ’t Kan wel. Maar’t is nogal duur.
M.: Laten we toch maar een taxi nemen. Deze koffer is mij te zwaar.
J.: Ik neem ook liever een taxi. Wacht even, dan zal ik een taxi bellen.
J.: Daar is onze taxi al. Stap maar in.
M.: Wat is ’t vrezelijk druk op de weg! Kijk toch eens, wat ’n fietsen, brommers, vrachtwagens en auto’s1! Ik zou rond deze tijd van de dag niet graag rijden.
J.: Ja, Amsterdam is een drukke stad. Op het spitsuur is het wel bijzonder druk. Kijk, hier zijn we al aan het Centraal Station.
M.: Hoeveel kost die rit?
J.: Negen gulden vijftig.
M.: Dat is niet duur, he?
M.: Zeg Jan, waar kunnen we onze kaartjes kopen?
J.: Daar aan het loket.
J.: Twee maal tweede klas Utrecht, alstublieft.
Beambte: Enkele reis of retour?
J.: Twee enkeltjes.
B.: Hier zijn uw kaartjes, meneer.
M.: Wanneer vertrekt de trein naar Utrecht?
J.: Ik weet het niet zeker. Laten we even op de dienstregeling kijken. Daar staan alle vertrektijden op. Kijk, de treinen naar Utrecht gaan dikwijls. Er gaat elk half uur een trein. De volgende trein vertrekt om 16 uur dertig.
M.: Hoe lang duurt de reis naar Utrecht?
J.: Drie kwartier met de stoptrein en een dik half uur met de sneltrein.
M.: En hoe ver is het dan naar Utrecht?
J.: Ongeveer zestig kilometer.
M.: Dan rijdt die trein wel hard: honderdtwintig kilometer per uur!
M.: Van welk perron gaat de trein?
J.: Van het derde perron: spoor 6.
M.: Hoe laat heb je het?
J.: Ik heb het kwart over vier.
M.: Hebben we nog tijd voor een kopje koffie?
J.: Daar hebben we nog net tijd voor.

REIZEN

Overmorgen zou Jan, tweedejaarsstudent in de letteren2 aan de Amsterdamse VU3, met vakantie gaan, maar er is in zijn familie iets ergs gebeurd, waardoor hij zijn studiereis naar Spanje heeft moeten opschorten.

Volkomen onverwachts kreeg Jan gisteravond een telefoontje uit Utrecht, waar zijn familie woont, dat zijn moeder zeer ernstig ziek was. Het bleek noodzakelijk dat hij onmiddelijk naar Utrecht vertrok.

Als hij wat eerder naar Spanje was gegaan, zou hij het nieuws niet hebben kunnen krijgen.

Omdat zijn auto in de reparatie was, besloot hij samen met zijn zusje Mies met de trein te gaan.

Hun vader haalde Jan en Mies met zijn auto af van het station. Hij vroeg of ze een prettige reis hadden gehad. Onderweg vertelde hij over de gezondheidstoestand van de moeder. Sinds Jan en Mies de laatste keer in Utrecht waren, voelde hun moeder zich heel zwak. En nu een hartaanval! Maar de dokter zei dat het ergste al achter de rug was. Ze was nog erg zwak, maar ze was duidelijk aan ’t genezen. Jan en Mies bleven bij hun familie, tot hun moeder weer beter was. Toen kon Jan met een gerust hart4 naar Spanje gaan. Hij besloot met het vliegtuig te gaan. Als hij meer tijd had gehad, zou hij graag per schip zijn gegaan. Gelukkig had hij op het laatste moment nog een plaats kunnen krijgen in het vliegtuig naar Madrid dat de volgende dag vertrok.

Omdat hij van plan was zo gauw mogelijk naar Nederland terug te keren, hoefde hij niet veel bagage mee te nemen.

Hij had alleen maar een koffer en een tas bij zich en die kon hij gemakkelijk zelf dragen.

Maar hoewel Jan weinig bagage had, vond hij het toch prettig dat er iemand met hem meeging naar de luchthaven, want hij vond het saai om alleen te gaan.

Zijn vriend Ton bracht hem daarom weg. Voordat Jan door de douane ging, zaten zij nog even te praten in het restaurant, want Ton had geen toestemming kunnen krijgen om met Jan mee te gaan naar de wachtkamer voor de passagiers. Ton had Jan aangeboden nog een paar dingen voor hem te doen waarvoor hij geen tijd meer had kunnen vinden.

GOEDE REIS!

Jan: Ik ben blij dat je met me meegaat. Ik vind het zo vervelend om alleen weg te gaan zonder iemand van wie ik afscheid kan nemen.
Ton: Ja, alleen is het erg saai. Is dit al je bagage?
J.: Ja, ik heb alleen deze koffer en die tas. Ik ben van plan niet lang in Spanje te blijven.
T.: Als ik jou was, zou ik toch meer bagage meenemen. En hoe lang denk je weg te blijven?
J.: Aanvankelijk zou mijn studiereis drie weken duren. Maar een week is al voorbij. Al ben ik iets te laat voor de studie, toch verheug ik me er op.
T.: Heb je iemand op de hoogte gebracht dat je wat later komt?
J.: Ja zeker. Ik heb meteen het secretariaat opgebeld. Als ik toen geweten had, dat mijn moeder gauw beter zou worden, zou ik precies de dag van mijn aankomst hebben gemeld.
T.: Wat een geluk dat je nog een plaats in het vliegtuig kon krijgen.
J.: Ja, dat is beslist een geluk. Op het laatste moment kwam er een plaats vrij. Ik heb nog zoveel dingen moeten regelen.
T.: Wat heb je dan allemaal moeten doen?
J.: Eerst moest ik natuurlijk naar het reisbureau, omdat mijn reis nu eindelijk door kon gaan. Daar heb ik me echt zorgen over gemaakt. Maar gelukkig is dat zonder moeite in orde gekomen.
T.: Zal ik iets voor je doen?
J.: Heel graag, als je wilt. Kijk, hier heb ik een heleboel brieven5. Die heb ik op het laatste moment nog moeten schrijven.
T.: Ik zal deze brieven voor je posten. Jouw vlucht wordt aangekondigd, Jan. Ik geloof dat we nu echt afscheid moeten nemen. Nou, dag Jan, goede reis en het beste, hoor!
J.: Dank je, Dag. Doe de groeten aan allemaal en bedankt voor alles.
T.: Schrijf me gauw of je goed bent aangekomen.
J.: Ja, dat zal ik doen. Tot ziens hoor! Dag.

Aantekeningen bij de tekst

  1. Wat ’n fietsen, brommers ... en auto’s! – Сколько велосипедов, мотоциклов, ... и машин!
  2. letteren studeren – изучать литературу
  3. de Amsterdamse VU (Vrije Universiteit) – университет в Амстердаме
  4. met een gerust hart – со спокойным сердцем
  5. een heleboel brieven – кипа (много) писем

UITSPRAAKOEFENINGEN

1. Lees:

[o·] – [ø] door – deur, goor – geur, spoor – speur, stoor – steur, koor – keur, boor – beur

[(t)si] de reparátie, de vacántie, de delegátie, de recéptie, de demonstrátie

[ʒ] de bagage [ba'gaʒə], de passagier [pasa'ʒi:r]

2. Lees met dalende intonatie:

  1. Wanneer vertrekt de trein naar Utrecht?
    Wanneer vertrekt de trein naar Maastricht?
    Wanneer vertrekt het vliegtuig naar Madrid?
    Wanneer vertrekt het vliegtuig naar Amsterdam?
  2. Hoe lang duurt de reis naar Utrecht?
    Hoe lang duurt de reis naar Rotterdam?
    Hoe lang duurt de vlucht naar Madrid?
    Hoe lang duurt de vlucht naar Wenen?
  3. Hoe ver is het dan naar Utrecht?
    Hoe ver is het dan naar Groningen?
  4. Wat heb je allemaal moeten doen?
    Wat heb je allemaal moeten schrijven?
    Wat heb je allemaal moeten lezen?

3. Lees met opstijgende intonatie:

Heeft u een prettige reis gehad?
Heb je een prettige reis gehad?
Hebben jullie een prettige reis gahad?

Woorden en uitdrukkingen

aanbieden (bood aan, aangeboden) предлагать
de aankomst прибытие;
bij aankomst по прибытии;
na aankomst по приезде
aankondigen (d) извещать, объявлять;
is de vlucht naar ... al aangekondigd? рейс на ... уже объявлен?
af halem: iem. van de trein af halen встретить кого-либо на вокзале
het afscheid прощание, расставание;
afscheid nemen van ... прощаться с ...
de auto, -’s автомашина
de bagage, -s багаж; weinig, veel bagage hebben иметь мало, много багажа
de brommer, -s велосипед с мотором
de bus, -sen автобус
de dienstregeling, -en расписание поездов
doorgaan (ging door, doorgegaan) зд.: состояться, иметь место;
dat zal doorgaan это получится;
dat gaat niet door это не получится
de douane [dua:nə] таможня; door de douane gaan пройти таможню
dragen (droeg, gedragen) нести
druk зд.: оживленно;
vrezelijk druk как оживленно
duidelijk явно, очевидно
de fiets, -en велосипед;
fietsen (t) ехать на велосипеде
de garage, -s гараж; mijn auto is bij de garage моя машина в ремонте
gebeuren (d) (z) происходить
hoeven (hoefde, gehoefd) нуждаться, иметь надобность (чаще всего при отрицании), dat hoeft niet (meer) это (уже) не нужно
de hoogte высота; iem. van iets op de hoogte brengen/stellen ставить кого-л. в известность о чем-л.
instappen (t) (z) входить (в вагон, машину, самолет)
ant. uitstappen выходить из
de koffer, -s чемодан
noodzakelijk необходимый
onmiddellijk немедленно
ontvangen (ontving, ontvangen) получать
onverwachts неожиданно
opschorten (t) откладывать; de reis moeten opschorten быть вынужденным отложить поездку
de orde порядок; in orde komen наладиться, устроиться
overmorgen послезавтра
de passagier, -s пассажир
het perron, -s перрон; Van welk perron gaat de trein? С какого перрона отправляется поезд?
het plan, -nen план; van plan zijn намереваться что-л. сделать
reizen (d) (z) ехать, путешествовать
de reis, reizen поездка;
de zakenreis командировка;
op zakenreis zijn быть в командировке
de studiereis учебная поездка;
op studiereis zijn находиться в учебной поездке
goede reis счастливого пути; Heeft u een prettige reis gehad? Вы хорошо доехали?
het reisbureau, -s бюро путешествий
regelen (d) уладить, урегулировать
rijden (reed, gereden) (z, h) ехать, передвигаться; met de auto, met de metro rijden ехать на автомашине, на метро; hard rijden идти быстро (о поезде)
de rit, -ten поездка
de reparatie ремонт; mijn auto is in de reparatie моя машина в ремонте
de rug, -gen спина; iets achter de rug hebben иметь что-л. позади (сделать что-л.), миновать
saai скучный; iets saai vinden считать что-л. скучным
het spitsuur час пик; op het spitsuur в час пик
het spoor, sporen 1. след; 2. ж/д: путь; per spoor reizen ехать поездом; Van welk spoor gaat de trein? С какого пути отправляется поезд?
de toestemming, -en разрешение; de toestemming krijgen получить разрешение
de tram [trɛm и tram] трамвай;
met de tram gaan ехать на трамвае
de trein, -en поезд;
met de trein gaan ехать поездом;
de stoptrein пассажирский поезд;
de sneltrein скорый поезд;
Wanneer vertrekt de trein naar ...? Когда отправляется поезд в ...?
de treinkaart, -en (het kaartje) билет на поезд; enkele reis билет в один конец; retour билет туда и обратно
zich verheugen op iets радоваться чему-л.
vertrekken (vertrok, vertrokken) (z) уезжать, отправляться; Wanneer vertrekt de trein (het vliegtuig) naar ... ? Когда отправляется поезд (самолет) в ... ?
het vertrek, -ken отъезд
de vertrektijd, -en время отправления
het verkeersmiddel, -en средство передвижения
vliegen (vloog, gevlogen) (z, h) лететь
het vliegtuig, -en самолет; met het vliegtuig gaan, per lucht gaan лететь самолетом
de vlucht, -en полет; Hoe lang duurt de vlucht? Сколько длится полет?
volkomen совершенно
de vrachtauto, -’s грузовая машина
wegbrengen (bracht weg, weggebracht) проводить кого-л.
zonder без; zonder moeite без труда
de zorg, -en заботa; zich zorgen over iets maken беспокоиться о чем-л.
zwak слабый

Грамматические пояснения к тексту

1. Сослагательное наклонение

Для выражения сослагательного наклонения в нидерландском языке используются формы простого прошедшего и предпрошедшего времени изъявительного наклонения и описательные конструкции с zou(den). Эти формы используются для выражения реального и нереального желания.

Als hij maar kwam! – Если бы он (сейчас) пришел! (реальное желание)
Als hij maar was gekomen! – Если бы он (тогда) пришел! (нереальное желание)
Ik zou om deze tijd niet graag rijden. – Я не хотел бы ехать машиной в это время.
Ik zou gisteren om deze tijd niet graag hebben gereden. – Не хотел бы я вчера ехать машиной в это время.

2. Условные предложения

В сложноподчиненных условных предложениях с союзами als, wanneer, indien, tenzij используется конструкция zou(den) + инфинитив или перфектный инфинитив спрягаемого глагола (условное наклонение).

Форма zou(den) + инфинитив в главном предложении согласуется с простым прошедшим временем в придаточном, а форма zou(den) + перфектный инфинитив – с предпрошедшим, напр.:

Als ik jou was zou ik toch meer bagage meenemen. – Если бы я был на вашем месте, то взял бы с собой больше вещей.
Als hij meer tijd had gehad zou hij graag per schip zijn gegaan. – Если бы у него было больше времени, то он отправился бы на пароходе.

Для выражения реального условия в условных предложениях употребляются формы настоящего времени, напр.:

Als je met de trein komt, haal ik je met de auto al van het station af.

Запомните: в перфектном инфинитиве с модальным глаголом вместо причастия прошедшего времени употребляется инфинитив модального и основного глагола, напр.:

Als hij wat eerder naar Spanje was gegaan, zou hij het telegram niet hebben kunnen krijgen.

3. Уступительные придаточные предложения (bijzinnen van toegeving) отвечают на вопросы ondanks wat? – несмотря на что? вопреки чему? и вводятся союзами al, hoewel, hoezeer, ofschoon, niettegenstaande и наречиями hoe ... (ook), waar ... (ook), напр.:

Hoewel Jan weinig bagage had vond hij het toch prettig dat er iemand met hem meeging naar de luchthaven.

Запомните: после союза al следует сказуемое (изменяемая часть сказуемого), напр.:

Al ben ik iets laat voor de studie, toch verheug ik me er op.

4. Временные придаточные предложения с союзом sedert и sinds обозначают исходный момент действия и отвечают на вопрос sinds wanneer? – с каких пор?, напр.:

Sinds Jan en Mies de laatste keer in Utrecht waren, voelde hun moeder zich heel zwak.

Временные придаточные предложения с союзом totdat выражают предел действия и отвечают на вопросы tot hoe laat? hoe lang? – до каких пор?, как долго?, напр.:

Jan en Mies bleven bij hun familie tot hun moeder weer beter was.

5. Субстантивированные прилагательные могут иметь абстрактное значение. При этом они нередко выступают в сочетании с неопределенными (напр.: iets, wat) или отрицательными местоимениями (напр.: niets) и получают окончание -s, напр.:

iets ergs (что-то ужасное), niets ernstigs (ничего серьезного)
Overmorgen zou Jan met vakantie zijn gegaan, maar er is in zijn familie iets ergs gebeurd. Er is niets ernstigs aan de hand.

Oefeningen

1. Maak volgens het voorbeeld.

Jan gaat met vakantie naar Spanje.

Voorbeeld: Ik zou ook graag meegaan. (Ik heb geen vakantie). – Ik zou ook graag meegaan, maar ik heb geen vakantie.

  1. We zouden ook graag meegaan. (We hebben niet veel geld).
  2. Mies zou ook graag gaan. (Ze moet voor haar kind zorgen).
  3. Zijn vriend Ton zou ook graag gaan. (Hij kan geen plaats in dit vliegtuig krijgen).
  4. Jan’s ouders zouden ook graag gaan. (Jan’s moeder voelt zich nog te zwak).

Key

2. Zelfde opgave.

Voorbeeld: Ik kan niet met de auto gaan. Die is in reparatie. – Ik zou graag met de auto gaan, maar die is in reparatie.

  1. Ik kan niet per schip reizen. Ik ben zeeziek.
  2. Ik kan niet met het vliegtuig gaan. Ik heb geen geld.
  3. Ik kan niet naar Spanje gaan. Ik heb geen vakantie.
  4. Ik kan niet naar het centrum rijden. Het is het spitsuur.

Key

3. Antwoord volgens het voorbeeld.

Voorbeeld: Waarom vertrekt Jan niet naar Sranje? (Hij moet naar Utrecht). – Hij zou graag naar Spanje vertrekken, maar hij moet naar Utrecht.

  1. Waarom gaat Jan niet met z’n auto? (Die is in reparatie).
  2. Waarom vertrekt Jan niet op tijd voor zijn studiereis? (Zijn moeder is ernstig ziek).
  3. Waarom gaat Jan niet met een schip (per schip) naar Spanje? (Hij heeft geen tijd).
  4. Waarom neemt Jan niet veel bagage mee? (Hij blijft niet lang weg).

Key

4. Antwoord: Hoe reist u graag?

  1. Zou u graag met de trein naar de Krim rijden?
  2. Of zou u liever met het vliegtuig daar naartoe vliegen?
  3. Zou u graag per schip naar Zweden gaan?

Key

5. Maak zinnen van beleefdheid.

Voorbeeld: Zou u het leuk vinden als we komen?

Gebruik: prettig, goed, gezellig, fijn, leuk

Key

6. Verbind telkens de twee zinnen tot een samengestelde zin door middel van het voegwoord als.

Voorbeeld: Is het mooi weer? Dan gaan we fietsen. – Als het mooi weer is, gaan we fietsen.

  1. Stormt het? Dan blijven we thuis.
  2. Is het al zo laat? Dan moeten we wel opschieten.
  3. Zitten ze op ons te wachten? Dan moeten we ons wel haasten.
  4. Heb je veel haast? Neem dan een taxi.
  5. Heb je hoofdpijn? Dan heb je zeker te hard gewerkt.
  6. Vertrekt de trein om half vijf? Dan hebben we nog maar weinig tijd.

Key

7. Antwoord:

  1. Waarmee komt u op de universiteit aan, als u te laat bent?
  2. Wat doet u, als het mooi weer is?
  3. Waarmee gaat u naar huis, als u vakantie hebt?

Key

8. Zeg de gedachte anders.

Voorbeeld: Ik heb niet genoeg geld om mij een nieuwe fiets te kopen. – Als ik meer geld had zou ik me een nieuwe fiets kopen.

  1. We hebben niet genoeg geld om ons nieuwe meubelen te kopen.
  2. Mijn vriendin heeft niet genoeg geld om zich een nieuwe auto te kopen.
  3. Ton heeft niet genoeg geld om met vakantie naar Spanje te gaan.
  4. Mijn broer heeft niet genoeg geld om een brommer te kopen.

Key

9. Zelfde oefenig.

Voorbeeld: Jan en Mies kunnen niet naar Utrecht (met de auto) rijden, omdat Jan’s auto niet in orde is. – Als Jan’s auto in orde was, zouden zij naar Utrecht (met de auto) rijden.

  1. Jan kan niet op tijd naar Spanje gaan, omdat hij niet veel tijd heeft.
  2. Jan en Mies kunnen geen koffie drinken, omdat hun trein in dit station niet lang halt houdt.
  3. Hij kan aan dit feestje niet deelnemen, omdat hij om deze tijd niet in Amsterdam is.

Key

10. Noem een voorwaarde van de handeling.

Voorbeeld: Ik ga niet met het vliegtuig omdat ik geen kaartje voor deze reis heb. – Als ik een kaartje voor deze reis kreeg, zou ik met het vliegtuig gaan.

  1. Hij gaat niet met de trein omdat hij niet veel tijd heeft.
  2. Hij antwoordt niet op dit telegram omdat hij het nieuws niet belangrijk vindt.
  3. Hij blijft niet langer in Utrecht omdat hij zijn studiereis naar Spanje niet langer kan opschorten.
  4. Zij kijkt niet naar het televisieprogramma omdat zij het niet boeiend vindt.

Key

11. Verbind de twee zinnen met daarom. Bevestig de gedachte door een bijzin met als.

Voorbeeld: Jan heeft geen tijd. Hij kan niet per schip naar Spanje gaan. – Jan heeft geen tijd, daarom kan hij niet per schip naar Spanje gaan. Als Jan tijd had, zou hij per schip naar Spanje gaan.

  1. Hij blijft niet lang in Utrecht. Hij kan de brieven niet gaan posten.
  2. Hij keert zo gauw mogelijk naar Nederland terug. Meer bagage kan hij niet meenemen.

Key

12. Antwoordt: Wat zou u doen, als u morgen naar Sint-Petersburg vertrekt? Stel situaties op, gebruik volgende woorden:

a) met de trein gaan, kaartjes kopen, een kopje koffie drinken, taxi nemen, aan het station uitstappen, vragen, van welk perron gaat mijn trein, (in) de wagen instappen;

Key

b) geen tijd hebben, met het vliegtuig gaan, vragen, wanneer vertrekt de bus naar de luchthaven, de vlucht aankondigen

Key

13. Antwoord op de vragen. Gebruik de bijzinnen van voorwaarde:

Waarom bent u in september niet naar Zweden gegaan? – Als ik toen met vakantie was geweest, zou ik graag naar Zweden zijn gegaan. Of: Als ik toen vakantie zou hebben gehad, zou ik graag naar Zweden zijn gegaan.

  1. Waarom is Mies einde juli naar Spanje niet gegaan?
  2. Waarom is Ton begin oktober niet naar Amerika gegaan?
  3. Waarom is Jan’s vader in juni niet naar Portugal gegaan?

Key

14. Verbind de twee zinnen met als.

Voorbeeld: Hij had niet veel tijd. Hij is niet per schip gegaan. – Als hij meer tijd had gehad, zou hij graag per schip zijn gegaan.

  1. Hij had niet veel geld. Hij is niet met het vliegtuig gegaan.
  2. Hij had niet veel tijd. Hij is niet per spoor gegaan.
  3. Hij had niet veel geld. Hij is niet met vaлantie geweest naar het buitenland.

Key

15. Verbind de twee zinnen volgens het voorbeeld:

Ik wist er niets over. Ik heb de dag van mijn aankomst niet gemeld. – Als ik ervan had geweten, zou ik de dag van mijn aankomst hebben gemeld.

  1. Hij wist er niets over. Hij is niet gekomen.
  2. Zij wist er niets van. Zij heeft hem geen telegram verstuurd.
  3. We wisten er niets van. We zijn niet naar Groningen gereden.
  4. Zij wisten er niets over. Zij zijn niet gaan vliegen naar Berlijn.

Key

16. Op het station. Vul aan:

  1. Als hun vader hen niet van het station had afgehaald,
  2. Als ze niet op de dienstregeling hadden nagekeken,
  3. Als hij niet op tijd op het perron was gekomen,
  4. Als de trein op tijd was vertrokken,
  5. Als mijn vriend met deze trein was gekomen,
  6. Als deze reis niet was aangekondigd,
  7. Als de trein (het vliegtuig) geen vertraging had gehad,

Key

17. Antwoordt:

  1. Zou u vorige zomer naar Nederland zijn gegaan? (naar Belgiё, Amerika, Polen)
  2. Zou u vorige week een fiets hebben gekocht? (een brommer, een motorfiets, een auto)
  3. Zou u toen naar Nederland met de trein zijn gegaan? (per schip, met het vliegtuig)

Key

18. Vul aan, gebruik in de hoofdzin het werkwoord kunnen.

Voorbeeld: Als hij meer tijd had: nog een keer met zijn zuster spreken. – Als hij meer tijd had, kon hij nog een keer met zijn zusje spreken. – Als hij meer tijd had, zou hij nog een keer met zijn zusje kunnen spreken.

  1. Als hij meer tijd had: per schip naar Spanje gaan.
  2. Als wij meer tijd hadden: van onze vrienden afscheid nemen.
  3. Als Jan en Mies meer tijd hadden: langer bij hun ouders blijven.
  4. Als ik niet zo weinig tijd had: met de trein naar België gaan.
  5. Als hij meer tijd had: de vader naar de luchthaven wegbrengen.

Key

19. Zet de zinnen uit oef. 18 in de verleden tijd. Druk daarmee de onreële voorwaarde uit.

Voorbeeld: Als hij meer tijd had gehad, zou hij nog een keer met zijn zusje hebben kunnen spreken.

Key

20. Maak zinnen.

Voorbeeld: Je kon meegaan. (vakantie hebben) – Als je vakantie had, kon je meegaan.

  1. Mr. De Vries kon naar Berlijn vliegen. (het vluchtkaartje hebben)
  2. Hij kon nog vandaag naar Groningen rijden. (de auto hebben)
  3. Ton kon met zijn vriend door de douane gaan. (de toestemming hebben)

Key

21. Verbind twee zinnen en geef variaties volgens het voorbeeld.

Voorbeeld: Hij was niet eerder naar Spanje vertrokken. Hij had het telegram kunnen krijgen. – Als hij wat eerder naar Spanje was vertrokken, zou hij het telegram niet hebben kunnen krijgen. – Als hij wat eerder naar Spanje zou zijn vertrokken, zou hij het telegram niet hebben kunnen krijgen.

  1. Hij had zijn auto niet in reparatie gegeven. Hij had naar Utrecht kunnen rijden.
  2. Hij had het niet geweten. Hij had anders de dag van zijn aankomst kunnen meedelen.
  3. Zij had het niet geweten. Zij had gauw met vakantie kunnen vertrekken.
  4. Hij had niet veel bagage mee gehad. De vrienden hadden hem niet van de luchthaven kunnen halen.
  5. Hij was niet per schip naar Spanje gegaan. Hij had de studiereis kunnen missen.

Key

22. Zeg het in het Nederlands:

1. Хотел бы я поехать на велосипеде в этот город! Хотел бы я полететь самолетом в Италию, но мы едем поездом. Я бы не хотел вести машину в час пик. 2. Если у тебя мало времени, я отвезу тебя домой машиной. Если поезд отправляется в пять, у нас еще есть время. 3. Если самолет прибывает в 7 утра, мы должны рано встать. Если бы у меня был билет на этот рейс, я бы полетел самолетом. На твоем месте я бы отправился поездом. Если бы у меня была машина, я бы через два часа был у своей сестры. 4. Если бы у меня было тогда больше времени, я поехал бы в Нидерланды поездом. Если бы у меня было меньше багажа, я полетел бы самолетом. Если бы я знал об этом, я бы прилетел самолетом. 5. Если бы у него было больше времени, он мог бы встретить свою сестру на вокзале. Если бы тогда не объявили посадку на самолет (de vlucht aankondigen), он смог бы позвонить нам по телефону.

Key

23. Maak bijzinnen van toegeving door middel van voegwoorden hoewel, ofschoon.

Voorbeeld: Hij had weinig bagage. Zijn vrienden gingen mee naar de luchthaven. – Hoewel (ofschoon) hij weinig bagage had, gingen zijn vrienden mee naar de luchthaven.

  1. Het was een flinke sneeuwstorm. We wilden toch met de auto gaan.
  2. De agent (полицейский) had zich vergist. We moesten toch betalen.
  3. Hij had weinig tijd. Hij bracht ons met de auto naar het station.

Key

24. Verbind de zinnen met het voegwoord al volgens het voorbeeld.

Voorbeeld: Ik ben laat voor de studie. Ik verheug me er toch op. – Al ben ik laat voor de studie, verheug ik me er toch op.

  1. Hij heeft het geweten. Hij is toch niet gekomen.
  2. Zij heeft er van geweten. Zij heeft ons haar hulp niet aangeboden.
  3. Wij waren over slechte wegen geinformeerd. Wij gingen toch op reis.
  4. Wij hadden grote belangstelling voor het museum. Wij moesten het bezoek daaraan toch uitstellen.

Key

25. Vertaal uit het Nederlands:

1. Hoewel ze nog niet klaar is met haar werk, wil ze je graag helpen. 2. Al hebben we lang over ons huiswerk gedaan, toch was de leraar nog niet tevreden. 3. Hoewel Marijke eerst voor haar rijexamen moet slagen voordat ze een auto kan kopen, heeft ze reeds veel brochures en prospectussen over verschillende autotypes ingekeken. 4. Al is Marijke bang voor het examen, verheugt ze zich bijna op dat moment dat toch veel voor haar betekent. 5. Al bent u bij het examen de kluts kwijt, toch mag u het niet laten merken. (de kluts kwijt zijn – потерять голову)

Key

26. Hoe zegt u in het Nederlands:

1. Хотя у Яна было мало времени, он заехал к родителям в Утрехт, чтобы попрощаться с ними. 2. Хотя у нас было немного багажа, мы взяли такси, чтобы доехать до вокзала. 3. Хотя они торопились, они позвонили мне и попрощались.

Key

27. Vul aan:

  1. Hoewel het weer afschuwelijk was,
  2. Ofschoon het regende,
  3. Al had hij weinig bagage,
  4. Al had hij niet veel tijd,
  5. Hoewel hij grote moeilijkheden had,
  6. Al voelde hij zich niet lekker,

Key

28. Antwoord op de vragen. Gebruik de bijzinnen van tijd met het voegwoord sinds.

Voorbeeld: Sinds wanneer voelde de moeder zich heel zwak? (Jan en Mies waren de laatste keer in Utrecht) – Sinds Jan en Mies de laatste keer in Utrecht waren, voelde de moeder zich heel zwak.

  1. Sinds wanneer woont Jan’s zus Mies in Amsterdam? (Zij is getrouwd)
  2. Sinds wanneer wonen Jan’s ouders in Utrecht? (Ze hebben daar een huis gekocht)
  3. Sinds wanneer woont Jan in Amsterdam? (Hij begon met zijn studie aan de Amsterdamse universiteit)

Key

29. Antwoord volgens het voorbeeld:

Voorbeeld: Bevalt zijn auto hem niet meer? (uit reparatie krijgen) – Toch wel, sinds zijn auto gerepareerd is, bevalt die hem weer. (opnieuw)

  1. Bevalt hem zijn woning niet meer? (nieuwe meubelen kopen)
  2. Bevalt zijn studie hem niet meer? (eerste successen hebben)
  3. Bevalt zijn plan hem niet meer? (zijn vrienden maken mee)

Key

30. Verbind de twee zinnen met het voegwoord sinds.

Voorbeeld: Hij is al weg. We hebben geen nieuws van hem gekregen. – Sinds hij weg is, hebben we geen nieuws van hem gekregen.

  1. Ik heb hem voor het laatst gezien. Hij is erg veranderd.
  2. Hij is weer thuis. Hij voelt zich veel beter.
  3. Zij is uit de hoofdstad teruggekeerd. Ze werkt veel aan haar studie.

Key

31. Vul aan:

  1. Sinds hij weer in Utrecht was,
  2. Sinds hij haar laatste brief heeft gekregen,
  3. Sinds ze de laatste keer hun ouders hebben bezocht,
  4. Sinds hij naar het buitenland is vertrokken,

Key

32. Antwoord op de vragen met het voegwoord totdat.

Voorbeeld: Hoe lang bleef Jan in Utrecht? (het gevaar was voorbij) – Jan bleef in Utrecht totdat het gevaar voorbij was.

  1. Hoe lang bleef Jan’s auto in reparatie? (die was klaar)
  2. Hoe lang blijft Jan in Spanje? (de studiereis afloopt)
  3. Hoe lang bleef Ton in de luchthaven? (het vliegtuig vertrok)
  4. Hoe lang verblijft de delegatie in Moskou? (de tentoonstelling wordt geopend)

Key

33. Maak bijzinnen met tot (dat).

Voorbeeld: De trein is nog niet vertrokken. – Ik wacht tot (dat) de trein vertrekt.

  1. Mijn vader is nog niet aangekomen.
  2. De bus is nog niet hier.
  3. De tram komt niet.
  4. Ze is nog niet thuis.
  5. Het vliegtuig is nog niet vertrokken. (geland)

Key

34. Vertaal in het Nederlands:

  1. С тех пор как он начал учиться в Амстердамском университете, он живет в Амстердаме.
  2. Они стояли на перроне, пока не отошел поезд.
  3. С тех пор как Ян и Мис переехали в Амстердам, их мать чувствовала себя плохо.
  4. Ян остался в Утрехте, пока опасность не миновала.

Key

35. Zeg anders.

Voorbeeld: Jan had voor deze dingen geen tijd. – Dit waren de dingen waarvoor Jan geen tijd had.

  1. Jan woonde in dit huis.
  2. Hij praatte over zijn studiereis.
  3. Zij schreef over haar studie.
  4. Hij kwam voor deze film.
  5. Ik loop iedere morgen langs deze gracht.
  6. Ik woon aan deze weg.
  7. Ik leer uit dit boek.
  8. Ik vertrek met deze trein.

Key

36. Zeg anders.

Voorbeeld: Van deze man heeft Jan een kamer gehuurd. – Dit is de man van wie Jan een kamer heeft gehuurd.

  1. Voor deze vrouw heb ik een koffer gedragen.
  2. Over deze man heb ik inlichtingen gevraagd.
  3. Van dit meisje heb ik toen afscheid genomen.
  4. Aan deze jonge man heb ik geschreven.

Key

37. Zeg met emotie.

Voorbeeld: Wij hebben er nog net tijd voor. – Daar hebben wij nog net tijd voor.

  1. Ik moet er over vertellen.
  2. Hij moest er afscheid van nemen.
  3. Ik heb me er zorgen over gemaakt.
  4. Alle vertrektijden staan er op.

Key

38. Zet in de indirecte rede. Let op de plaats van het modale werkwoord.

Voorbeeld: Zijn studiereis naar Spanje moet opgeschort worden. – Hij zegt dat zijn studiereis naar Spanje opgeschort moet worden.

  1. De treinkaartjes kunnen aan het loket gekocht worden.
  2. Er mag niet hardop gesproken worden.
  3. Hier mag niet gerookt worden.
  4. De kamer kan verwarmd worden.
  5. Het telegram moet onmiddellijk verstuurd worden.
  6. De auto moet in reparatie gegeven worden.
  7. Er zal niet veel bagage meegenomen worden.
  8. Er zullen korte zinnen gebruikt worden.

Key

39. Zullen – laten.

Voorbeeld: Zullen we een kopje koffie drinken? – Ja, laten we een kopje koffie drinken.

  1. Zullen we eerst een taxi bellen?
  2. Zullen we vandaag met de auto gaan?
  3. Zullen we de tram nemen? (met de tram gaan)
  4. Zullen we eerst even bellen?
  5. Zullen we met de fiets gaan?
  6. Zullen we eerst kaartjes kopen?

Key

40. Antwoord:

a) Moet hij veel bagage meenemen? – Nee, hij hoeft niet veel bagage mee te nemen.

  1. Moet hij de brieven posten?
  2. Moet hij het geld wisselen?
  3. Moeten we eerst even bellen?
  4. Moet hij een telegram versturen?
  5. Moet hij de brief lezen?

Key

b) Moet het telegram verstuurd worden? – Nee, het telegram hoeft niet verstuurd te worden.

  1. Moet het geld gewisseld worden?
  2. Moet de auto in reparatie gegeven worden?
  3. Moeten de treinkaartjes nog gekocht worden?

Key

41. Hoe zeg je het in het Nederlands?

  1. Мне не нужно сегодня покупать билеты на автобус, я еду машиной.
  2. Нам не нужно брать с собой много багажа, мы останемся там на один день.
  3. Вам не нужно посылать ему телеграмму, он уже уехал.

Key

42. Vertaal in het Russisch:

  1. Heb je iemand op de hoogte gebracht dat je wat later komt?
  2. Heb je iemand er van op de hoogte gebracht?
  3. Tot mijn spijt heb ik er niemand van op de hoogte gebracht.
  4. Jij moet toch het secretariaat er van op de hoogte brengen.
  5. Zij heeft de directie van haar vertrek op de hoogte gebracht/gesteld.

Key

43. Antwoordt:

  1. Brengt u het decanaat op de hoogte, als u vertrekt?
  2. Brengt u de docent op de hoogte, als u te laat voor de les bent?
  3. Brengt/Stelt u iemand op de hoogte, als u de les verzuimt?

Key

44. Vertaal:

  1. Jan vond het vervelend om weg te gaan zonder dat hij van iemand afscheid kan nemen.
  2. Jij moet van jouw ouders behoorlijk afscheid nemen!
  3. Van wie heb je net afscheid genomen?
  4. Als je vertrekt, moet je van je vrienden afscheid nemen.
  5. Hij vertrok zonder van iemand afscheid te nemen.

Key

45. Hoe zeg je in het Nederlands:

  1. Я попрощался с ним.
  2. У меня не было времени попрощаться с друзьями.
  3. Ян попрощался с Тоном, так как уже объявили его рейс.

Key

46. Maak volgens het voorbeeld:

Dat is erg. (iets)

– Dat is iets ergs.

Dat is ernstig. (niets)

– Dat is niets ernstigs.

1. Dat is mooi. (iets)

2. Dat is lelijk. (iets)

3. Dat is grappig. (niets)

4. Dat is prettig. (iets)

Key

47. Hoe zeg je het in het Nederlands? Schrijft deze zinnen op:

  1. Во сколько отходит ваш поезд? Я довезу вас машиной до вокзала.
  2. Вы не слышали, уже объявили рейс на Амстердам? Тогда мы должны торопиться.
  3. Как вы доехали? Где ваш багаж?
  4. Когда отправляется самолет до Москвы? Сколько лететь до Москвы?
  5. Во сколько отправляется автобус до аэродрома? Давайте лучше возьмем такси.
  6. Сколько километров до аэродрома? Если мы поедем машиной, мы как раз успеем на этот рейс.
  7. Key
  8. Вам не надо думать о билетах. Они уже куплены. Вы поставили в известность дирекцию гостиницы, что уезжаете сегодня? Да, но мы не посмотрели по расписанию, когда точно отправляется поезд.
  9. Он предложил нам опустить эти письма в почтовый ящик, т. к. у нас не оставалось времени.
  10. Перед таможенным контролем мы попрощались с нашим гостем.
  11. Ты что такой скучный? Я не получил ни одного письма из дома с тех пор, как уехал. Я думаю, что там что-нибудь случилось.
  12. Мы получили разрешение пройти в депутатский зал аэродрома (de vip).
  13. Он решил отложить свою командировку.

Key

48. Antwoord op de vragen over de tekst:

1. Waarom gingen Jan en Mies per taxi naar het station? 2. Waarom zou Mies op het spitsuur niet graag in de stad rijden? 3. Hoeveel kostte de rit? 4. Waar konden Jan en Mies treinkaartjes kopen? 5. Wanneer vertrok de trein naar Utrecht? 6. Waar staan gewoonlijk alle vertrektijden op? 7. Hadden ze nog tijd voor een kopje koffie? 8. Hoe lang duurde de reis naar Utrecht? 9. Hoe ver was het dan naar Utrecht? 10. Hoe hard reed de trein? 11. Van welk perron ging de trein? 12. Waar zou Jan met vakantie naartoe gaan? 13. Wat gebeurde er in zijn familie? 14. Waarom moest hij zijn reis naar Spanje opschorten? 15. Zou hij het telegram hebben kunnen krijgen, als hij wat eerder naar Spanje was vertrokken? 16. Waarom besloot hij met de trein te gaan? 17. Wie haalde Jan en Mies van de trein? 18. Hoe voelde de moeder zich sinds Jan en Mies de laatste keer in Utrecht waren? 19. Wat scheelde haar nu? 20. Tot hoe lang bleven Jan en Mies bij hun familie? 21. Waarom besloot Jan met het vliegtuig naar Spanje te gaan? Hield hij niet van varen? 22. Kon hij nog een plaats in het vliegtuig naar Madrid krijgen? 23. Waarom hoefde hij niet veel bagage mee te nemen? 24. Vond Jan het prettig om alleen naar het vliegveld te gaan? 25. Wie bracht hem weg? 26. Heeft Ton toestemming gekregen om met Jan naar de wachtkamer voor de passagiers mee te gaan? 27. Waarvoor had Jan geen tijd? 28. Heeft Ton zijn hulp aangeboden? 29. Zou Ton meer bagage meenemen? 30. Wie heeft Jan van zijn aankomst op de hoogte gebracht? 31. Kon hij toen precies de dag van zijn aankomst meedelen? 32. Wanneer hebben de vrienden afscheid van elkaar genomen?

Key

49. Vertel over Jan’s onverwachte vertrek naar Utrecht. Ging zijn studiereis naar Spanje door?

Key

50. Lees:

Bij de douane

Jan: Ik hoop dat ik gauw door de douane kom.
Douanebeambte: Hebt u iets aan te geven?
Jan: Neen, deze keer niet.

Worden

door de douane komen – пройти таможенный контроль
aangeven (gaf aan, aangegeven) – предъявлять что-л., подлежащее оплате пошлиной

Antwoord: Had Jan wat aan te geven bij de douane?

Key

51. Antwoordt:

Reist u graag? Aan welk verkeersmiddel geeft u de voorkeur? Waarom? Vliegt uw vrouw (vriend) graag of geeft zij (hij) de voorkeur aan de trein? Heeft u een auto? Rijdt u graag? Brengt u uw vrienden vaak naar de luchthaven (naar het station)? Wat wenst u uw vriend bij het afscheid nemen in de luchthaven (op het station)? Wat vraagt u uw vriend bij de aankomst?

Key

52. Hoe zegt u dat:

a) U reist graag per trein. U moet precies weten wanneer u bij voorbeeld in Rotterdam aankomt.

  1. Hoe vraagt u naar het vertrek van de treinen?
  2. Waar staat de informatie over de vertrektijden van de treinen op?
  3. Hoe vraagt u naar de duur van de reis?
  4. Hoe vraagt u naar de afstand naar Sint-Petersburg (Rotterdam)?
  5. Hoe vindt u het perron, van welk de trein gaat?
  6. Wat krijgt u van uw gastheer te horen als u in Rotterdam aankomt?

Key

b) U bent een zakenman. U vliegt liever.

  1. Hoe komt u te weten wanneer het vliegtuig opstijgt? Hoe komt u te weten hoelang de vlucht duurt? Hoe komt u te weten hoever het tot de plaats van bestemming is?
  2. U bent bang dat u te laat bent voor de vlucht. Wat vraagt u?
  3. Hoe begroet u iemand die u van de luchthaven afhaalt?

Key

53. Maak situaties:

1. U moet onmiddellijk van Den Haag naar Amsterdam. Uw auto is in reparatie. U gaat met de trein. 2. U bent in het buitenland. Er is iets in uw gezin gebeurd. U moet meteen naar hius. U belt naar de luchthaven. 3. U brengt uw vriend naar de luchthaven. Hij vindt het vervelend om alleen daar naartoe te gaan.

Key