Изучаем нидерландский язык с нуля!
Урок 12

Уроки с 10-го и далее будут доработаны в будущем. Ключей и исправлений пока нет.

Thema:

De bezienswaardigheden van de stad.
Een stadsrondvaart. Перевод

Voorbeelden:

Hoe bevalt het u in Amsterdam? – Вам нравится Амстердам? Ik ken de stad (niet, niet goed, goed). – Я знаю (не знаю, знаю плохо, хорошо) город. Wat interesseert u het meest? – Что вас интересует больше всего? Wanneer werd deze toren gebouwd (dit monument opgericht)? – Когда была построена эта башня (сооружен этот памятник)? Uit welk jaar dateert deze kerk? – Когда была построена эта церковь? Door wie is deze toren gebouwd? Wie is de bouwmeester (architect)? – Кто построил эту башню? Voor wie is dit monument (standbeeld)? – Кому поставлен этот памятник? Выражения восхищения: Ik vind deze straat, dit gedeelte van de stad, dit plein erg mooi. – Мне очень нравится эта улица, эта часть города, эта площадь. Wat is dat een mooie toren (een mooi monument, paleis). – Какая красивая башня (памятник, дворец.) Is het waar, dat ... – Это правда, что ...

Grammatica:

Страдательный залог (формы пассива). Сложносочиненное предложение. Место придаточного предложения. Определительные придаточные предложения. Конструкция een van de ...

DE BEZIENSWAARDIGHEDEN VAN DE STAD

Mr. De Wit: Hoe bevalt het u in Amsterdam?
Anton: Ik ken de stad natuurlijk niet goed. Ik heb wat over de geschiedenis van de stad gelezen en zou graag alle historische plaatsen bezoeken.
Mr.d.W.: Hebt u een plattegrond van de stad?
A.: Ja, ik heb ik hier bij mij.
Mr.d.W.: Laten wij de bezienswaardigheden van de stad bekijken. Wat interesseert u het meest?
A.: Vooral de oude stad.
Mr.d.W.: Dan beginnen wij op de Dam. De Dam is het middelpunt van de stad en wordt wel het nationale plein van Nederland genoemd. Hier bevindt zich het Koninklijk Paleis. Daar tegenover staat het Nationale Monument.
A.: Is het waar dat Amsterdam op palen is gebouwd?
Mr.d.W.: Dat is heus waar. Er staan 13659 palen onder het paleis op de Dam, want de bodem is te zacht. Vroeger werden er houten palen gebruikt, maar tegenwoordig zijn ze meestal van beton. Rechts van het Koninklijk Paleis is de Nieuwe Kerk. De Dam telt in zijn omgeving nog verscheidene beroemde gebouwen, waaronder het Stadhuis. Hier begint ook de Kalverstraat, de meest bekende winkelstraat. Nu lopen wij over het Rokin. Wilt u een tochtje maken met een van de vele rondvaartboten?
A.: Kost dat veel tijd?
Mr.d.W.: Dat zal een uur kosten. Dan ziet u de oude grachten, die een heel belangrijk deel van het Amsterdamse stadsbeeld vormen. Dit is de schilderachtige Herengracht. Vroeger woonden hier rijke Amsterdamse kooplieden. De meeste van deze huizen hebben hun fraaie gevels bewaard. Nu passeren wij de Munttoren, die in 1620 voltooid werd.
A.: Wat is dat een mooie toren!
Mr.d.W.: Dat is de Westertoren – de toren van de Westerkerk. Deze kerk dateert uit de Gouden Eeuw. Ze is het werk van de beroemde bouwmeester Hendrick de Keyzer. Veel van de prachtige huizen, die aan de Amsterdamse grachten staan, zijn ook door hem gebouwd. Nu gaan wij langs het Centraal Station en bereiken de haven. Van de haven keren wij terug naar de binnenstad en zien dan de Schreierstoren *, die op de Schreiershoek staat. Deze toren werd in 1482 gebouwd. Hier bevinden wij ons in het oudste gedeelte van Amsterdam. Aan de rechterzijde zien wij nu de Oude Kerk die in het jaar 1300 gebouwd is. Tenslotte zijn wij terug in het Rokin. Ik hoop dat u een goede indruk van de stad heeft gekregen.

* Van dat punt vertrokken een paar eeuwen geleden de schepen naar het Verre Oosten. Dit torentje, de Schreierstoren, was vroeger heel veel hoger en vormde een deel van de stadsmuur. Alleen het benedenstuk (uit 1487) is bewaard gebleven. De gidsen van de vele rondvaartboten, die er dagelijks voorbijvaren, vergeten nooit aan de toeristen te vertellen, dat de zeemansvrouwen uit vroegere eeuwen bij die toren ‘schreiend’ (huilend) van hun mannen afscheid namen en bleven wuiven (махать) totdat (пока) de schepen aan de horizon verdwenen (исчезать).

UITSPRAAKOEFENINGEN

1. Spreek uit:

[ɣ]

begint, omgeving, gekregen, gracht, geschiedenis, de Herengracht, de Gouden Eeuw

[x]

zacht, rechts, aan de rechterzijde, verscheidene, beslag, de Schreierstoren

[ʃ]

nationaal, station

[v]

gevel, Kalverstraat, tegenover, bevinden, haven, vroeger

[ŋk]

belangrijk, koninklijk

[əx]

tegenwoordig, schilderachtig, prachtig

2. Let op de beklemtoning en intonatie:

be'zienswaardigheid: Laten wij de bezìenswaardigheden van de stad bekijken.
'middelpunt: De 'Dam is het mìddelpunt van de stad.
'rondvaartboot: Wilt u een tóchtje maken met een van de vele rondvaartboten?
'stadsbeeld: ...een belangrijk deel van het Amsterdamse stàdsbeeld.

Woorden en uitdrukkingen

belangrijk важный, значительный; важно
bereiken (t) достигать, подойти, подъехать к...
beroemd известный, знаменитый
het beton бетон
bevallen (beviel, bevallen) (z) нравиться; Hoe bevalt het u in Amsterdam? Как вам нравится Амстердам?
zich bevinden (bevond, bevonden) находиться
bewaren (d) сохранять
de bezienswaardigheid, -heden достопримечательность
bij у, при; iets bij zich hebben иметь что-л. при себе
de bodem, -s 1. дно, основание 2. почва, земля, грунт
bouwen (d) строить
de bouwmeester, -s архитектор; syn. de architect, -en
de dam, -men плотина, запруда
dateren (d) uit относиться к какому-л. времени, датироваться (каким-л. годом)
het deel, delen часть
fraai красивый, прекрасный
het gebouw, -en здание
het gedeelte, -n часть, доля
de geschiedenis, -sen история
de gevel, -s фасад
de gracht, -en канал, улица вдоль канала
de haven, -s гавань, порт
historisch исторический
houten деревянный
de indruk, -ken впечатление; een indruk van iets krijgen получить впечатление от чего-л.
kennen (d) знать (о конкретных вещах); ik ken deze man я знаю этого человека
de kerk, -en церковь
koninklijk королевский
de koopman, -lieden купец
kosten: de reis kost niet veel tijd на поездку уйдёт немного времени
het middelpunt, -en центр, середина
het monument, -en памятник;
een monument voor iem. oprichten поставить кому-л. памятник syn. het standbeeld, -en
nationaal национальный
noemen (d) называть
de omgeving, -en окрестности
de paal, palen свая
het paleis, -zen дворец
passeren (d) проходить, проезжать что-л.
de plattegrond, -en план (города, района)
het plein, -en площадь
prachtig великолепный, великолепно
de rechterzijde, -n правая сторона; aan de rechterzijde на правой стороне
rijk (aan) богатый (чем-л.)
de rondvaart, -en экскурсия по каналам города на прогулочном катере
de rondvaartboot, -boten катер (для кругового маршрута по каналам)
schilderachtig живописный
het stadhuis, -huizen городская ратуша
het stadsbeeld, -en панорама (картина) города
de stadsrondrit, -ten (per bus) экскурсия по городу (автобусом)
het station, -s вокзал, станция
tenslotte в конце концов
terugkeren (d) (z) возвращаться
de tocht, -en путешествие
de toren, -s башня
verscheiden различный
voltooien (d) завершать, заканчивать
vormen (d) составлять
waar верно; правда; is het waar? это правда? dat is heus waar это действительно так
het werk, -en 1. труд, работа 2. сооружение 3. произведение
weten (wist, geweten) знать; ik weet dat, alles, niets я знаю это, все, ничего; ik weet er niets van я ничего не знаю об этом; ik weet, dat hij hier is я знаю, что он здесь
de winkelstraat, -straten торговая улица
zacht мягкий, тихий
zien (zag, gezien) видеть

Грамматические пояснения к тексту

Страдательный залог (пассив)

1. Страдательный залог (пассив) (lijdende vorm)

Образование и употребление.

worden (все временные формы) + причастие прошедшего времени = пассив действия (настоящее вр., простое прош., будущее I)

zijn (наст., простое прош., будущ. вр.) + причастие прошедшего времени = пассив состояния (соверш. наст. вр., предпрош. вр., будущее II)

Формы пассива действия употребляются при выражении временного протекания действия в настоящем, прошедшем и будущем. Пассив состояния употребляется для обозначения состояния предмета, которое возникло в результате действия к определенному временному моменту (настоящему, прошедшему, будущему). Формы пассива состояния выражают, как и формы перфекта, видовое значение совершенности действия.

De toren wordt gebouwd. (наст. вр.) – Башня строится.
De toren werd gebouwd. (прост. прошед. вр.) – Башня строилась (была построена).
De toren is gebouwd. (соверш. наст. вр.) – Башня (была) построена.
De toren was gebouwd. (предпрошедшее) – Башня была построена.
De toren zal gebouwd worden. (будущее I) – Башня будет строиться.
De toren zal gebouwd zijn. (будущее II) – Башня будет построена.

Сравните в тексте:

De Dam ... werd wel het nationale plein van Nederland genoemd. De Munttoren werd in 1620 voltooid. De Schreierstoren werd in 1482 gebouwd. Wij zijn de Oude Kerk die in het jaar 1300 gebouwd is.

Формы личного пассива образуются от переходных глаголов, напр.: bouwen, gebruiken и т. д.

Логический субъект действия выражается предложной конструкцией с door, напр.:

De Westertoren is door de beroemde bouwmeester Hendrick de Keyzer gebouwd. Veel van de prachtige huizen, die aan de Amsterdamse grachten staan, zijn ook door hem gebouwd.

а орудие действия – предложной конструкцией с met, напр:

De brief is met rood potlood geschreven. – Письмо написано красным карандашом.

Безличный или неопределенно-личный пассив может быть образован и от непереходных глаголов, напр.:

Er wordt tegenwoordig veel gereisd. – Сейчас много путешествуют.

На первом месте в таких предложениях стоит местоименное наречие er:

Er werd op de deur geklopt. – Постучали в дверь.
Er wordt gedanst. – Танцуют.

2. Сложносочиненное предложение

Сложносочиненные предложения образуются из простых предложений посредством сочинительных союзов: en (и), maar (но, а), of (или), want (ибо, так как) и т. д. Порядок слов после этих союзов не изменяется, напр.:

Vroeger werden er houten palen gebruikt maar tegenwoordig zijn ze meestal van beton. Er staan 13659 palen onder het paleis op de Dam want de bodem is te zacht.

Сочинительные союзы употребляются также при однородных членах предложения.

Van de haven keren wij terug naar de binnenstad en zien dan de Schreierstoren.

Если в качестве сочинительных союзов используются наречия, напр.: dan (потом, затем), daardoor (поэтому), daarom (поэтому, потому), то они занимают в предложении первое место, оттесняя подлежащее на третье, после изменяемой части сказуемого, напр.:

Wij beginnen op de Dam, dan gaan wij langs de Kalverstraat. Het tochtje zal ons niet veel tijd kosten daarom maken wij het mee. (участвовать)

Запомните: Сложносочиненные предложения с союзами want и daardoor переводятся на русский язык как сложноподчиненные, напр.:

Er staan palen onder het paleis, want de bodem is te zacht. – Дворец стоит на сваях, так как земля слишком мягкая.

Het heeft de hele dag geregend daardoor staan er plassen op de weg. – Весь день шел дождь, поэтому на дорогах лужи.

3. Место придаточного предложения

Придаточное предложение может занимать три положения по отношению к главному:

а. следовать за главным:

(главное:) Ik hoop, (придаточное:) dat u een indruk van de stad heeft gekregen.

б. предшествовать главному.

В этом случае главное предложение начинается со сказуемого (изменяемой части сказуемого), затем следует подлежащее и второстепенные члены предложения:

придаточное
Daar (так как) Anton veel over de geschiedenis van de stad heeft gelezen,
главное
wilde hij graag alle historische plaatsen bezoeken.

в. стоять в середине главного предложения.

Вторая часть главного предложения в этом случае начинается со сказуемого:

Veel van de prachtige huizen die aan de Amsterdamse grachten staan, zijn ook door hem gebouwd.

4. Придаточное определительное отвечает на вопрос какой?, что за? и вводится относительными местоимениями die, dat, welke, welk (в зависимости от рода определяемого слова в главном предложении), напр.:

Aan de rechterzijde zien wij nu de Oude Kerk die in het jaar 1300 gebouwd is.

В качестве союзных слов выступают hetgeen, а также относительные и местоименные наречия hoe, waar, waarop и т.д.

Amsterdam is de stad waar Jan geboren is.

5. Конструкция een van de ... переводится на русский язык как «один, одна, одно из ...», напр.:

Een van de prachtige huizen is door hem gebouwd.

Oefeningen

1. Ken je Nederlandse namen?

Voorbeeld: De jongen heet Johannes. Zijn roepnaam is Jan. – Hij wordt Jan genoemd.

  1. De jongen heet Willem. Zijn roepnaam is Wim.
  2. Het meisje heet Cornelia. Haar roepnaam is Corrie.
  3. De jongen heet Cornelis. Zijn roepnaam is Kees.
  4. Het meisje heet Wilhelmina. Haar roepnaam is Willie.
  5. De jongen heet Hendrik. Zijn roepnaam is Henk.
  6. Het meisje heet Henriette. Haar roepnaam is Hennie.

Key

2. Welke taal wordt in ... gesproken?

Voorbeeld: In Nederland spreekt men Nederlands. – In Nederland wordt Nederlands gesproken.

  1. In Rusland spreekt men Russisch.
  2. In België spreekt men Nederlands, Frans en Duits.
  3. In Duitsland spreekt men Duits.
  4. In Engeland spreekt men Engels.

Key

3. Hetzelfde volgens het voorbeeld.

Voorbeeld: Hoe zegt men dat in het Nederlands? – Hoe wordt dat in het Nederlands gezegd?

  1. Hoe schrijft men dat? (het woord)
  2. Hoe spelt men dat? (het woord)
  3. Hoe spreekt men dit woord uit?

Key

4. Hetzelfde volgens het voorbeeld.

Voorbeeld: Dat maakt men in Engeland. – Dat wordt in Engeland gemaakt.

Dat maakt men in Rusland (Amerika, Nederland, Frankrijk).

Key

5. Maak passief.

Voorbeeld: De man bouwt het huis. – Het huis wordt door de man gebouwd.

  1. Ik bekijk de stad.
  2. Annie maakt een reis.
  3. Vele mensen bezoeken de stad.
  4. De stad bouwt het hotel.
  5. De politieman regelt het verkeer.
  6. De grachten vormen het stadsbeeld van Amsterdam.

Key

6. Zet in het meervoud:

Het huis wordt gebouwd. – De huizen worden gebouwd.

  1. Deze gracht wordt vaak genoemd.
  2. Dit monument wordt bekeken.
  3. Het huis wordt verkocht.

Key

7. Antwoord naar het voorbeeld:

Wat wordt bekeken? (de stad) – De stad wordt bekeken.

Wat wordt bekeken? (de haven, het monument, het paleis, het plein, de bezienswaardigheden, het standbeeld)

Key

8. Zet in de lijdende vorm.

Voorbeeld: Men noemt Amsterdam de hoofdstad. – Amsterdam wordt de hoofdstad genoemd.

  1. Men noemt de Dam het nationale plein.
  2. Men noemt deze toren de Schreierstoren.
  3. Men noemt dit monument het Nationale Monument.
  4. Men bouwt de stad op palen.

Key

9. Maak passief:

Men bouwt veel huizen. – Er worden veel huizen gebouwd.

  1. Men bekijkt de stad.
  2. Men leest over de geschiedenis van de stad.
  3. Men bezoekt historische plaatsen.
  4. Men bekijkt de bezienswaardigheden van de stad.
  5. Men bouwt tegenwoordig hoge flats.
  6. Men gebruikt tegenwoordig de palen van beton.

Key

10. Stel deze vragen aan jouw gesprekspartner:

Wat eet men veel in Nederland? (kaas) – In Nederland wordt veel kaas gegeten.

  1. Wat drinkt men veel in Nederland? (koffie)
  2. Wat drinkt men veel in Engeland? (thee)
  3. Wat drinkt men veel in Rusland?

Key

11. Maak een vraag.

Voorbeeld: Er wordt een huis gebouwd. – Door wie wordt het huis gebouwd?

  1. Er worden de bezienswaardigheden bekeken.
  2. Er wordt over de geschiedenis van de stad gelezen (verteld).
  3. Er worden historische plaatsen bekeken.
  4. Er wordt een nieuw hotel gebouwd.

Key

12. Ontken:

Bekijkt u de stad? (de toeristen) – Neen, de stad wordt door de toeristen bekeken.

  1. Maakt u een tochtje door de grachten? (mijn vrienden)
  2. Bouwt men de huizen in Amsterdam op de bodem? (op palen)
  3. Vertaalt u de geschiedenis van de stad? (de vertaler)

Key

13. Bevestig:

Het tochtje met een rondvaartboot is goed. (aanbevelen) – Men beveelt het dus aan. Ja, het wordt aanbevolen.

  1. De bouwmeester is beroemd. (vaak noemen)
  2. De toren is mooi. (graag bekijken)
  3. De winkelstraat is zeer levendig. (veel kopen)
  4. De stad is zeer oud. (veel bezoeken)

Key

14. Antwoord.

Voorbeeld: Kunt u me zeggen wat hier wordt gebouwd? (een hotel) – Hier wordt een hotel gebouwd.

Kunt u me zeggen wat hier wordt gebouwd? (een station, een metrostation, een warenhuis, een stadhuis)

Key

15. Zo wordt aan een tekst gewerkt:

1. Er naar een band met de tekst . 2. Dan de nieuwe woorden . 3. De tekst ten eerste door de leraar dan door de studenten . 4. Dan vragen tot de tekst . 5. Tenslotte ... de inhoud van de tekst . 6. Thuis de tekst dan de woorden .

Key

16. Zet in de lijdende vorm:

  1. Bezoekt men historische plaatsen?
  2. Bekijkt men de bezienswaardigheden?
  3. Hoe noemt men de Dam?
  4. Doet men inkopen (boodschappen) in de Kalverstraat?
  5. Bouwt men de huizen op palen?

Key

17. Zet in de onvoltooid verleden tijd.

Voorbeeld: De toren wordt door de bekende bouwmeester gebouwd. – De toren werd door ... .

  1. Het hotel wordt door de firma gebouwd.
  2. De bezienswaardigheden worden door de toeristen bekeken.
  3. De tentoonstelling wordt door vele bezoekers bezocht.

Key

18. Zet in de lijdende vorm.

Voorbeeld: Een onbekende bouwmeester bouwde deze toren in 1482. – Deze toren werd door een onbekende bouwmeester in 1482 gebouwd.

  1. De beroemde bouwmeester H. de Keyser bouwde vele prachtige huizen.
  2. De Keyser bouwde de Zuider – en de Westerkerk.
  3. De bouwmeester Jacob van Campen bouwde het Koninklijk Paleis.
  4. De gids (гид) vertelde ons over de geschiedenis van de stad.
  5. Voor 1814 noemde men Amsterdam al de hoofdstad.

Key

19. Antwoord naar het voorbeeld.

Door wie werd de Westerkerk gebouwd? (door de bouwmeester Hendrick de Keyser) – De Westerkerk werd door de bouwmeester H. de Keyser gebouwd.

  1. Door wie werd het Koninklijk Paleis gebouwd? (door Jacob van Campen)
  2. Door wie werden deze prachtige huizen gebouwd? (door Hendrick de Keyser)

Key

20. Maak een vraag in de lijdende vorm:

Wie bouwde de kerk? – Door wie werd de kerk gebouwd?

  1. Wie bekeek de toren?
  2. Wie voltooide de toren?

Key

21. Vraag naar de datum. Laat uw gesprekspartner op de vragen antwoorden:

De Munttoren werd in 1620 voltooid. – Weet u wanneer de Munttoren werd gebouwd?

  1. De Schreierstoren werd in 1482 gebouwd.
  2. De Oude Kerk werd in het jaar 1300 gebouwd.
  3. De mooie Zuiderkerk werd in 1614 voltooid.

Key

22. Zet in de voltooid tegenwoordige tijd. Hoe verandert de zin?

De metro wordt gebouwd. – De metro is gebouwd.

  1. De straat wordt genoemd.
  2. De haven wordt gebouwd.
  3. Het huis wordt gebouwd.

Key

23. Maak passief.

Voorbeeld: Men heeft Amsterdam op palen gebouwd. – Amsterdam is op palen gebouwd. – Is het waar dat Amsterdam op palen is gebouwd?

  1. Men heeft het paleis al jaren niet meer gebruikt.
  2. Daar heeft men hoge flats gebouwd.

Key

24. Zelfde opgave:

Wie heeft het boek vertaald? – Door wie is het boek vertaald?

  1. Wie heeft het boek geschreven?
  2. Wie heeft de brief geschreven?
  3. Wie heeft de brief vertaald?

Key

25. Laat uw gesprekspartner antwoorden volgens het voorbeeld:

Ziet u de Westerkerk? Door wie is deze kerk gebouwd? (De Keyser) – Die is door De Keyser gebouwd. – Is het waar dat deze kerk door De Keyser is gebouwd?

  1. Ziet u het Koninklijk Paleis? Door wie is dit paleis gebouwd? (J. van Campen)
  2. Ziet u de Oude Kerk? Wanneer is deze kerk gebouwd? (1300)
  3. Ziet u de Munttoren? Wanneer is deze toren voltooid? (1620)

Key

26. Maak deze mededeling precieser. Zeg door wie dat gemaakt is:

Men heeft een nieuw hotel gebouwd. (de jonge bouwmeester) – Ja, dat is waar. Een nieuw hotel is door een jonge bouwmeester gebouwd.

  1. Men heeft hoge flats gebouwd. (een grote bouwmaatschappij)
  2. Men heeft betonnen palen gebruikt. (de bouwarbeiders)

Key

27. Preciseer:

Het nieuwe stadhuis is al gebouwd. – Men heeft ons gezegd dat het nieuwe stadhuis al is gebouwd.

  1. Dit gedeelte van de stad is opnieuw gebouwd.
  2. Het paleis is niet meer gebruikt.
  3. De kerk is al gerestaureerd.

Key

28. Men interesseert zich voor het volgende en wil u erover vragen:

Wanneer is deze toren gebouwd? – Ik interesseer me ervoor wanneer deze toren is gebouwd.

  1. Wanneer zijn deze huizen gebouwd?
  2. Wanneer is het Centraal Station gebouwd?
  3. Wanneer is de Westerkerk gebouwd?

Key

29. Vertaal in het Nederlands. Gebruik de lijdende vorm:

  1. Туристы осматривают город.
  2. Многие здания (церкви) в Амстердаме построены знаменитым архитектором Хендриком де Кейзером.
  3. Панораму города составляют каналы.
  4. Де Дам (De Dam) называют национальной площадью Нидерландов.
  5. Амстердам построен на сваях.
  6. Одно из наиболее древних (oud) зданий – Старая церковь – построена в 1300 году.

Key

30. Zet in het meervoud.

Voorbeeld: Dat is de kerk die door een beroemde bouwmeester is gebouwd. – Dat zijn de kerken die door een beroemde bouwmeester zijn gebouwd.

  1. Dat is het plein dat het middelpunt van de stad vormt.
  2. Dat is de straat die door de gehele stad loopt.
  3. Dat is het gebouw dat me het meest bevalt.

Key

31. Maak één zin volgens het voorbeeld:

Voorbeeld: We gaan langs het Centraal Station. Het ligt niet ver van de haven. – We gaan langs het Centraal Station dat niet ver van de haven ligt.

  1. We gaan langs de Munttoren. Die werd in 1620 voltooid.
  2. Dat is de Westerkerk. Ze is het werk van de beroemde bouwmeester Hendrick de Keyser.
  3. Dat is het oudste huis van de Herengracht. Het dateert uit het jaar 1621.
  4. We passeren de Westertoren. Die dateert uit de Gouden Eeuw.
  5. We zien de oude grachten. Ze vormen het Amsterdamse stadsbeeld.
  6. Aan de grachten staan prachtige huizen. Ze hebben hun fraaie gevels bewaard.

Key

32. Maak één zin volgens het voorbeeld:

Voorbeeld: Ik zie het Leidse plein. Het plein is druk. – Het Leidse plein dat ik zie, is druk.

a) We zien de Oude Kerk. De kerk is in het begin 1300 gebouwd. Ik zie de prachtige huizen. De huizen staan aan de grachten. We zien de grachten. De grachten vormen het stadsbeeld van Amsterdam. We zien het Koninklijk Paleis. Het paleis is door J. van Campen gebouwd.

Key

b) We gaan langs het gebouw. Dat is het Centraal Station. Aan de Amsterdamse grachten staan huizen. De meeste van deze huizen zijn door De Keyser gebouwd.

Key

33. Vul in: die of dat?

  1. Ik zie de toren ik erg mooi vind.
  2. Wij passeren de kerk mijn vrienden erg mooi vinden.
  3. Wij zien het monument ik erg mooi vind.
  4. Wij passeren het Centraal Station niet ver van de haven ligt.
  5. Wij gaan langs de straat mij het meest bevalt.
  6. Dat is het gebouw ik prachtig vind.
  7. Dat is het gedeelte van de stad ik erg leuk vind.

Key

34. Maak volgens het voorbeeld:

Ik moest een hotel noemen. – Ik wist niet welk hotel ik moest noemen.

  1. Ik moest een straat noemen.
  2. Ik moest een plein noemen.
  3. Ik moest een bouwmeester noemen.
  4. Ik moest een werk van deze bouwmeester noemen.

Key

35. Vul in.

Voorbeeld: Kent u de vrouw net is voorbijgegaan?

  1. Kent u de man ons net heeft begroet?
  2. Kent u het meisje daar loopt?
  3. Kent u de stad we bekijken?
  4. Kent u het boek ik nu lees?

Key

36. Maak één zin volgens het voorbeeld:

Voorbeeld: De vakantie was goed. Ik heb de vakantie in het buitenland doorgebracht. – De vakantie die ik in het buitenland heb doorgebracht, was goed.

  1. De steden bevielen me zeer. We bekeken ze tijdens onze reis.
  2. Het plein is het oudste plein van de stad. Wij zien het plein.

Key

37. Maak de zinnen af:

  1. Ik ken de stad goed die
  2. Ik ken het plein dat
  3. Kent u de straat die
  4. Kent u het standbeeld dat

Key

38. Hoe zegt u dat in het Nederlands?

  1. Вы знаете город, который мы осматриваем?
  2. Кто построил башню, мимо которой мы проходим?
  3. Мы видим каналы, которые составляют панораму города.
  4. В домах, которые стоят на Херенхрахт, жили раньше богатые купцы.
  5. Сейчас мы проходим мимо Монетной башни, которая была построена в 1620 году.
  6. Центральный вокзал, который мы видим, находится недалеко от порта.
  7. Площадь, на которой мы находимся, называется Национальной площадью.
  8. Памятник, который мы видим, называется Национальным памятником.
  9. Кто построил здание, которое находится справа от дворца?

Key

39. Vul in: en, maar of want?

  1. Het paleis op de Dam is op palen gebouwd, de bodem is te zacht.
  2. Vroeger werden er houten palen gebruikt, tegenwoordig zijn ze meestal van beton.
  3. De Kalverstraat is de meest bekende winkelstraat er wordt hier veel gekocht.
  4. Het paleis is erg mooi, tegenwoordig wordt het niet meer gebruikt.
  5. Anton heeft veel over de geschiedenis van de stad gelezen Jan wilde hem alle historische plaatsen laten zien.

Key

40. kennen of weten? (А что тут сделать-то надо?)

  kennen of weten
ik ken de stad ik weet dat
  het land   niets
  deze man   alles
  deze vrouw ik weet, dat (+ придаточное)
  dit kind    

Kent u Amsterdam?
Ik weet dat u voor de eerste keer in de stad bent. Weet u dat deze kerk door De Keyser is gebouwd? Ik ken vele straten, hem niet, vele boeken over de geschiedenis van de stad, meneer De Vries goed.
Ik weet dat hij graag reist, waar meneer De Vries woont, wanneer de rondleiding begint.

Key

41. Antwoord.

Voorbeeld: Weet u in welke straat hij woont? – Neen, ik weet niet in welke straat hij woont.

  1. Weet u welke historische plaatsen we zullen bezoeken?
  2. Weet u of we een tochtje met een rondvaartboot zullen maken?

Key

42. Maakt zoals het voorbeeld:

Kent u mevrouw De Wit? (tolk) – Ik ken haar niet persoonlijk, ik weet dat ze tolk is.

  1. Kent u meneer De Vries? (leraar)
  2. Kent u juffrouw Vermeulen? (onderwijzeres)
  3. Kent u mevrouw Smit? (docente aan de universiteit)

Key

43. Antwoord, gebruik iets bij zich hebben:

Hebt u een plattegrond bij zich? (ik) – Ja, ik heb die wel bij me.

  1. Hebben jullie een plattegrond bij zich? (wij)
  2. Heeft hij een plattegrond bij zich? (hij)
  3. Hebben ze een plattegrond bij zich? (zij)
  4. Heb je een plattegrond? Die heb je zeker bij je!

Key

44. Antwoord:

Hoeveel tijd zal ons de rondleiding kosten? (anderhalf uur) – De rondleiding zal anderhalf uur kosten.

  1. Hoeveel tijd zal deze reis kosten? (3 dagen)
  2. Hoeveel tijd kost de weg naar huis? (kwart uur)
  3. Hoeveel tijd zal het tochtje met een rondvaartboot kosten? (een uur)

Key

45. Maak volgens het voorbeeld.

Voorbeeld: We gaan langs het Centraal Station. – We gaan het Centraal Station voorbij.

  1. We gaan langs het Koninklijk Paleis.
  2. We gaan langs de Westerkerk.
  3. We gaan langs de Munttoren.

Key

46. Vertaal:

a) 1. Вы знаете этот город? Я немного знаю город, так как много читал о нем. 2. Я не знаю, сколько времени займет поездка по городу. 3. Вы знаете, кто построил это здание? 4. Кто этот человек? Я его не знаю. Я знаю лишь, что он гид-переводчик (gids).

Key

b) 1. У Вас есть карта города? Да, она у меня с собой. 2. Как называется площадь, мимо которой мы проходим? Мы проходим мимо Лейденской площади.

Key

47. Druk jouw bewondering uit.

a) Voorbeeld: Wat is dat een mooie toren!

de kerk, de gracht, het gebouw, de straat, het monument, het paleis, de omgeving

Key

b) Voorbeeld: Wat een mooie grachten!

huizen, straten, schepen, kerken

Key

48. Antwoord op de vragen over de tekst:

1. Is Anton voor de eerste keer in Amsterdam? 2. Hoe bevalt hem de stad? 3. Kent hij de stad goed? 4. Heeft hij iets over de geschiedenis van de stad gelezen? 5. Wat wil hij in de stad bekijken? Wat interesseert hem het meest in de stad? 6. Welk plein wordt in Amsterdam het nationale plein genoemd? 7. Waar staat het Nationale Monument? 8. Welke beroemde gebouwen bevinden zich in de omgeving van de Dam? 9. Waarom is Amsterdam op palen gebouwd? 10. Welke palen werden er vroeger gebruikt? 11. Welke palen worden tegenwoordig gebruikt? 12. Hoe heet de meest bekende winkelstraat in Amsterdam? 13. Hoeveel tijd kost een tochtje met de rondvaartboot? 14. Wat ziet men tijdens deze tocht? 15. Wat vormt het stadsbeeld van de stad? (Zijn er vele grachten in Amsterdam?) 16. Welke gracht is bijzonder schilderachtig? Waardoor is de Herengracht bekend? 17. Wie woonde vroeger aan de Herengracht? 18. Zijn de fraaie gevels van deze huizen bewaard? 19. Wanneer werd de Munttoren voltooid? 20. Uit welke eeuw dateert de Westertoren? 21. Door wie werd deze kerk gebouwd? 22. Zijn er nog huizen in Amsterdam die door Hendrick de Keyser zijn gebouwd? 23. Kan men met de rondvaartboot de haven bereiken? 24. Wanneer werd de Schreierstoren gebouwd? Wat weet u over de geschiedenis van dit torentje? 25. Welk is een van de oudste gebouwen in Amsterdam? (de Oude kerk 1300) 26. Hebt u een goede indruk van de stad gekregen?

Key

49. Vertaal in het Nederlands:

  1. В центре города неподалеку от площади де Дам находятся многие известные здания, среди них ратуша, центральный вокзал и др.
  2. Одним из живописных каналов Амстердама является Херенхрахт.
  3. Раньше здесь жили богатые купцы.
  4. В большинстве домов сохранились красивые фасады.
  5. Эта церковь относится к Золотому веку.

Key

50. Wat zegt men in de volgende situaties:

  1. U zegt dat u de stad niet goed kent.
  2. U wilt de bezienswaardigheden van de stad bekijken.
  3. U wilt te weten komen wat het middelpunt van de stad vormt.
  4. U verbaast zich dat Amsterdam op palen is gebouwd.
  5. U wilt een tochtje met een rondvaartboot maken.
  6. U wilt te weten komen hoeveel tijd dat zal kosten.
  7. U zegt dat de grachten een belangrijk deel van het stadsbeeld vormen.
  8. Key
  9. U vindt de Herengracht schilderachtig.
  10. U interesseert zich voor de fraaie gevels van de huizen aan de Herengracht.
  11. U bewondert de westertoren.
  12. U vraagt wanneer de Westertoren gebouwd is.
  13. U vraagt door wie de Westerkerk gebouwd is.
  14. U vraagt wat Hendrick de Keyser nog meer heeft gebouwd.
  15. U interesseert zich voor de geschiedenis van de Schreierstoren.

Key

51. Heeb je een plattegrond van Amsterdam? Neem hem.

1) Maak een rondleiding door de binnenstad.

Laat uw gesprekspartners vragen aan u stellen. Gebruikt de woorden:

zich bevinden
voorbij gaan (lopen)
langs lopen
zien
bekijken

links
rechts
aan de linderzijde
aan de rechterzijde
hier

daar
daarnaast
daaronder
aan de overzijde
rechtuit

Key

2) U maakt een tochtje met de rondvaartboot door de Amsterdamse grachten. Gebruikt de woorden uit de tekst.

Key

52. Vertel over uw indruk van Amsterdam.

53. Vertel over uw geboortestad, de stad, waar u nu leeft.