Изучаем нидерландский язык с нуля!
Урок 7

Уроки с 6-го и далее будут доработаны в будущем. Ключей и исправлений пока нет.

Fonetiek: Дифтонги [o·i] и [e·u]

Thema: Het weer. De jaargetijden. Погода. Времена года.

Voorbeelden:

Wat voor weer is het vandaag? – Какая сегодня погода? Het weer is mooi (niet erg mooi). – Хорошая (плохая) погода. Het is warm, koud. – Тепло, холодно. Het regent, sneeuwt. – Идет дождь, снег. Сравнение: dat is beter, slechter, even goed als ... – это лучше, хуже, также хорошо как и ... Подтверждение: Ik geloof van wel. – Я думаю, что это так. Ik geloof van niet. – Я не думаю, что это так.

Grammatica:

Степени сравнения прилагательных. Безличные предложения с het. Определительные местоимения elk, ieder. Особые случаи образования множественного числа существительных. Глагол beginnen + te + инфинитив. Конструкция aan + het + инфинитив.

Дифтонг [o·i]

[o·i] ooi [o·i] – долгий дифтонг, состоит из полудолгого закрытого лабиализованного [o·] и краткого безударного [i]. Артикуляционная установка для полудолгого [o·], губы вытянуты вперед и округлены, плавно переходит в установку для краткого [i]. Полу долгое [o·] произносится напряженно. Сравните: mooi и «мой». mooi
dooien

Spreek uit: [o·] – [i] – [o·i], [o·] – [i] – [o·i], [o·] – [i] – [o·i]

Oef. 1. Luister en herhaal, lees:

 

mooi
dooi
fooi
hooi
kooi

ooit
nooit
dooien
hooien

Oef. 2. Lees en onthoud:

 
mooi
хороший, прекрасный
 
het weer
погода
 
erg
очень, особенно
 
heel
очень

Voorbeeld:

Wat voor weer is het vandaag?
— Какая сегодня погода?
Het is mooi weer vandaag.
— Сегодня хорошая погода.
Het weer is niet erg mooi.
— Не очень хорошая погода.

Oef. 3. Vraagt uw gesprekspartner over het weer.

Дифтонг [e·u]

[e·u] eeuw [e·u] - долгий дифтонг, состоит из полудолгого ударного [е] и безударного краткого [u]. Артикуляционная установка для [е·] (губы напряжены и растянуты, кончик языка прижат к нижним зубам) плавно переходит в установку для краткого [u] (губы округлены и слегка вытянуты вперед, язык чуть оттянут назад). de eeuw
de leeuw
de leeuwen
  [w] произносится только между двумя гласными

Spreek uit: [e·] – [u] – [e·u], [e·] – [u] – [e·u], [e·] – [u] – [e·u]

Oef. 4. Luister en herhaal, lees. Let op de articulatie van de tweeklank:

[e·u]

eeuw
eeuwen

leeuw
leeuwen

meeuw
meeuwen

sneeuw
sneeuwen

Oef. 5. Spreek uit:

De nieuwe eeuw.
De dooiende sneeuw.
De leeuw keek naar een meeuw en een spreeuw in de sneeuw.

Oef. 6. Luister en herhaal. Lees spreek na. Let op de spelling:

[a]
vallen, warm, dag, nacht, blad
[a·]
schaatsen, staat, dagen
[a:]
het jaar, het jaargetijde, het najaar, het voorjaar, een paar
[ɔ]
zon, vol, worden, kort
[o·]
zomer, bomen, hoger
[ɛ]
herfst
[e·]
heet, regenen
[e:]
weer, onweer
[ɪ]
wind
[i·]
vriest, liever
[ɛi]
krijgen, schijnen, jaargetijde, altijd
[ɔu]
koud
[ʌy]
struik, uit, buiten

Oef. 7. Let op de uitspraak van de volgende woorden:

vochtig ['vɔxtəx]
regenachtig [re·ɣən'axtəx]
prachtig ['praxtəx]
heerlijk ['he:rlək]
zacht [zaxt]
hoger ['ho·ɣər]
dikwijls ['dikwəls]

TEKST

HET WEER. DE JAARGETIJDEN

Het jaar heeft vier jaargetijden, namelijk: de lente of het voorjaar, de zomer, de herfst of het najaar en de winter.

De lente is het mooiste jaargetijde in Nederland. Dat is de tijd van zon en bloemen. De bomen krijgen jong blad, en elke dag wordt het wat warmer. De zon schijnt. Aan de blauwe hemel staan witte wolken. De bollenvelden bloeien.

Dan komt de zomer. De zon staat hoger en het wordt steeds warmer. Soms is het heet. Soms komt er onweer.

In de herfst worden de dagen korter, de nachten kouder. De bladeren van de bomen beginnen te vallen. De lucht is vochtig. Er hangt een dichte mist. Het waait en regent altijd in de herfst.

De winters zijn zacht en regenachtig. Het is koud buiten. Het sneeuwt. Soms vriest het en dan is iedereen aan het schaatsen. Helaas begint het meestal na een paar dagen weer te dooien.

GESPREK I

— Wat voor weer is het vandaag?
— Het is prachtig weer vandaag. De zon schijnt. Het is warm.
— Fijn. Dan maken we een uitstapje.

GESPREK II

— Hoe is het weer vandaag?
— Het weer is niet erg mooi vanmorgen.
— Regent het nog?
— Ik geloof van wel. Het regent de hele tijd.
— Ja, dat is echt Nederlands weer. Dan blijven we maar liever thuis.

GESPREK III

— Is het koud vandaag?
— Neen, het is niet koud.
— Vriest het? Is de temperatuur onder nul?
— Neen, de temperatuur is vijf graden boven nul.

Woorden en uitdrukkingen

altijd всегда
het blad, bladeren лист (растения); jong blad молодая листва
blauw синий, голубой
blijven оставаться
bloeien цвести
de bloem, -en цветок
het bollenveld, -en цветочное поле, поле для разведения цветочных луковиц
buiten снаружи, на дворе, на улице
dicht густой
dooien таять; het dooit тает
echt настоящий
fijn чудесно
geloven верить, думать, полагать;
ik geloof van wel я думаю, что это так;
ik geloof van niet я думаю, что это не так
heerlijk чудесный, чудесно
heet жарко
helaas к сожалению
de hemel небо; aan de hemel на небе
de herfst осень
het jaar, jaren год
het jaargetijde, -n время года
jong молодой, свежий, новый
kort короткий
koud (het is koud) холодный (холодно)
de lente, -n весна
meestal чаще всего
de mist туман
de nacht, -en ночь
het najaar осень
namelijk а именно
het onweer, -en гроза, ненастье
prachtig великолепный
regenachtig дождливый
regenen идти (о дожде); het regent идет дождь
schaatsen кататься на коньках
sneeuwen: идти (о снеге); het sneeuwt идет снег
soms иногда
steeds всегда, постоянно
de tijd, -en время
de temperatuur, -turen температура; 10 graden (boven, onder) nul 10 градусов (выше, ниже) нуля
het uitstapje, -s прогулка, поездка за город; een uitstapje maken поехать за город
vallen падать, опадать, выпадать
vandaag сегодня; vanmorgen сегодня утром; vanmiddag сегодня днем; vanavond сегодня вечером; vannacht сегодня ночью
het voorjaar весна
vriezen морозить; het vriest подмораживает; мороз
waaien дуть (о ветре); het waait дует ветер
warm (het is warm) теплый (тепло)
het weer погода
weer снова, опять
de winter зима
de wolk, -en облако
worden становиться (начинаться)
zacht мягкий, тихий
de zomer, -s лето
de zon солнце

Грамматические пояснения к тексту

1. Степени сравнения прилагательных

Положительная степень: Het is warm.

Для выражения одинаковости служит союз als в сочетаниях even ... als, net zo ... als, juist (precies) zo, als, напр.:

Vandaag is het even (net zo) warm als gisteren.

Сравнительная степень образуется при помощи суффикса -er, напр.:

Elke dag wordt het wat warmer.

Если основа прилагательного оканчивается на -r, то к ней прибавляется суффикс -der, напр.:

ver – verder
helder – helderder

Для выражения неодинаковости используется союз dan (чем), напр.:

Vandaag is het warmer dan gisteren.

Превосходная степень образуется при помощи суффикса -st, напр.:

warm – warmer – warmst
mooi – mooier – mooist

Запомните:

duur – duurder – duurst
dichtbij – dichterbij – dichtstbij

В функции определения прилагательное в превосходной степени употребляется с определенным артиклем (по роду определяемого существительного) и принимает окончание -e, напр.:

De lente is het mooiste jaargetijde in Nederland.
Vandaag is de warmste dag in de zomer.

В предикативной функции прилагательное в превосходной степени употребляется с артиклем het и не имеет окончания, напр.:

Vandaag is het het warmst.

Примечание: При образовании степеней сравнения необходимо учитывать правила правописания кратких и долгих гласных, напр.:

hoog – hoger – hoogst
dik – dikker – dikst

Запомните особые случаи образования степеней сравнения:

goed – beter – best
veel – meer – meest
weinig – minder – minst
graag – liever – liefst

Vandaag is het meer (minder) warm.

– Сегодня более (менее) тепло.

Сравните:

Deze kamer is beter dan die. – Эта комната лучше той.
Ik blijf liever thuis. – Лучше я останусь дома.

Запомните перевод:

mijn oudere broer – мой старший брат
zijn jongere zus – его младшая сестра

2. Для обозначения состояния погоды употребляются безличные предложения с het, напр.:

het is warm, het is koud, het wordt warmer

Глаголы, обозначающие явления природы, сочетаются в предложении с безличным местоимением het в форме 3 лица единственного числа, напр.:

Het waait en regent altijd in de herfst.
Осенью всегда дует ветер и идет дождь.
Het sneeuwt.
Идет снег.

3. Определительные местоимения ieder, elk (каждый, -ая, -ое) согласуются с существительным в роде и числе, напр.:

Elke (iedere) dag wordt het wat warmer.
Elk jaargetijde is goed.

4. Некоторые существительные удлиняют во множественном числе краткий корневой гласный, напр.:

de dag – de dagen, het blad – de bladeren

5. Глагол beginnen (начинать) требует после себя инфинитива другого глагола с частицей te, напр.:

Helaas begint het te dooien.

6. Конструкция aan + het + инфинитив глагола употребляется для выражения длительности действия, напр.:

Jan is aan het lezen. – Ян читает.
Het vriest en dan is iedereen aan het schaatsen. – Мороз, и тогда все катаются на коньках.

Oefeningen

8. Druk de gelijkheid uit zoals in het voorbeeld:

De winter is lang. En de zomer? – De zomer is even lang als de winter.

  1. De struiken zijn hoog. En de jonge bomen?
  2. Het boek is dik. En het tijdschrift?
  3. Mijn kamer is licht. En jouw kamer?
  4. Dit huis is hoog. En het hotel?

Key

9. Druk het verschil uit zoals in het voorbeeld:

Is de dag in het najaar even kort als in het voorjaar? – Neen, de dag in het najaar is korter dan in het voorjaar.

  1. Is dit landschap even mooi als het landschap in Limburg?
  2. Is de dag even warm als de nacht?
  3. Is het Nederlands even moeilijk als het Duits?
  4. Zijn de dagen in de winter even lang als de dagen in de zomer?

Key

10. Vergelijk:

De jongen is tien jaar oud. Het meisje is pas vijf. – Het meisje is niet zo oud als de jongen. Ze is vijf jaar jonger.

  1. Het hotel is 40 meter hoog. Het huis is 30 meter hoog.
  2. Jan is 160 cm groot (lang). Wim is 150 cm groot (lang).
  3. Mijn vader is 44 jaar oud. Mijn moeder is 39 jaar oud.
  4. Meneer Bakker is 50 jaar oud. Meneer Dijkstra is 45 jaar oud.

Key

11. Maak zoals in het voorbeeld:

De dag in de zomer is niet zo kort als de nacht. – De nacht in de zomer is korter dan de dag.

  1. Het is niet zo warm in het voorjaar als in de zomer.
  2. Het is niet zo koud in het najaar als in de winter.
  3. Deze woning is niet zo groot als onze woning.
  4. Dit huis is niet zo hoog als het hotel.
  5. De brief van Wim is niet zo lang als de brief van Jan.

Key

12. Maak zoals in het voorbeeld:

De dagen in het voorjaar zijn lang. En in de zomer? – De dagen in de zomer zijn nog langer.

  1. De dagen in het najaar zijn kort. En in de winter?
  2. De bollenvelden in de lente zijn mooi. En in de zomer?
  3. Piet antwoordt vlug op de vragen. En Jan?
  4. Kees komt vroeg voor de les. En Annie?

Key

13. Antwoord zoals in het voorbeeld:

Is het in de winter even koud als in de herfst? – Neen, in de winter is het kouder dan in de herfst.

  1. Is het in het voorjaar even warm als in het najaar?
  2. Is Jan even groot als Wim?
  3. Is zijn vader even oud als zijn moeder?
  4. Is het boek even dik als het tijdschrift?

Key

14. Antwoord:

Wat is kouder: de winter of de herfst? – De winter is kouder.

  1. Wat is warmer: het voorjaar of het najaar?
  2. Wie is ouder: de jongen of het meisje?
  3. Wie is groter: Jan of Wim?
  4. Wat is hoger: het hotel of het huis?
  5. Wie is ouder: zijn vader of zijn moeder?
  6. Wanneer zijn de dagen langer: in de zomer of in de winter?
  7. Wanneer zijn de nachten korter: in de winter of in de zomer?

Key

15. Antwoord:

  1. Waar blijft u liever: thuis of bij uw vrienden?
  2. Wie schrijft minder: Jan of Wim?
  3. Wie leert meer: Kees of Piet?
  4. Wie spreekt Nederlands beter: Anton of Marie?
  5. Waar schrijf je liever mee: met pen of met potlood?
  6. Waar woont u liever: in een grote stad of in een kleine stad?

Key

16. Zeg zoals in het voorbeeld:

Een student schrijft slecht. De docent zegt: Schrijft u beter!

  1. Een student komt laat voor de les. De docent zegt:
  2. Een student spreekt weinig Nederlands. De docent zegt:
  3. Een studente spreekt langzaam Engels. De docent zegt:

Key

17. Antwoord:

Wie antwoordt het best? (Wim) – Wim antwoordt het best.

  1. Wie spreekt het best? (Jan)
  2. Wie vertaalt het best? (Anneke)
  3. Wie werkt het meest? (Piet)
  4. Wie leest het meest? (Ria)
  5. Wie vraagt het minst? (Henk)

Key

18. Maak zoals in het voorbeeld:

Wim leest goed. – Jan leest beter. Kees leest het best.

  1. De student spreekt vlug. Deze studente . De lerares .
  2. Annie schrijft veel. Nel . Margriet .
  3. Piet leert weinig. Dirk . Emmeke .
  4. Kees antwoordt op de vragen goed. Simon . Joke .

Key

19. Gebruik de vergrotende trap.

Voorbeeld: Hij heeft een mooie tuin. – Zijn vriend heeft een mooiere tuin.

  1. Wij hebben een moderne woning.
  2. Hij woont in een grote kamer.
  3. We leven in een grote stad.
  4. Ik heb een nieuw boek.

Key

20. Gebruik de overtreffende trap.

Voorbeeld: De lente is ... jaargetijde in Nederland. (mooi) – De lente is het mooiste jaargetijde in Nederland.

  1. Henk is leerling in de klas. (jong)
  2. Mijn vriend is student in de groep. (oud)
  3. Dat is wijk van de stad. (oud, mooi)
  4. De Arbatstraat is straat van Moskou. (oud)
  5. De Leidsestraat is straat van Amsterdam. (druk – оживленный)

Key

21. Antwoord zoals in het voorbeeld:

Meneer van Dam heeft drie grote kamers. Welke kamer is de grootste? – De woonkamer is de grootste.

  1. Mevrouw de Wit heeft twee lichte kamers. Welke kamer is de lichtste?
  2. Hier spelen vier kleine meisjes. Wie is het kleinste?
  3. Het jaar heeft vierjaargetijden. Welk jaargetijde is het mooiste?

Key

22. Vul in: beter of liever?

  1. Nu spreekt hij veel Nederlands.
  2. Hij wil een boek lezen.
  3. Jij verstaat me nu .
  4. Wij blijven thuis.
  5. Ik antwoord je niet op je vraag.
  6. Ik geef geen antwoord op uw vraag.

Key

23. Vul in: groter of meer?

  1. Piet is al dan zijn vader.
  2. De nieuwe woning is dan de oude.
  3. Jij moet Nederlands praten.
  4. Hij leest nu dan vroeger.

Key

24. Vul in: kleiner of minder?

  1. Annie is dan haar vriendin.
  2. Vandaag schrijven we dan gisteren.
  3. Deze bomen zijn dan de bomen in onze tuin.
  4. Nu heb ik tijd dan in de zomer.
  5. Wij maken nu fouten dan vroeger.

Key

25. Zeg deze zinnen in het Nederlands, schrijf ze op:

1. Сегодня теплее, чем вчера. Весной дни становятся длиннее, а ночи – короче. Девочка моложе своего брата. 2. Эта комната лучше той. Ваша кухня меньше нашей. Этот дом больше вашего старого дома. 3. Питу нужно больше писать и читать. Ребенку нужно меньше смотреть телевизор. Идет дождь и мы лучше посидим дома. 4. Моему отцу столько же лет, сколько и матери. Он так же хорошо говорит по-голландски, как и Вы. У нас такая же новая мебель, как и у вас.

Key

26. Antwoord:

  1. In welk jaargetijde regent het dikwijls?
  2. In welk jaargetijde sneeuwt het?
  3. In welk jaargetijde waait het dikwijls?
  4. In welk jaargetijde vriest het?
  5. In welk jaargetijde dooit het?

Key

27. Zeg in het Nederlands. Schrijf deze zinnen op:

идет дождь, сегодня идет дождь, идет снег, сегодня подмораживает, весной тает (снег)

Key

28. Vul in: elke of elk?

  1. In de lente wordt het dag wat warmer.
  2. jaargetijde is even mooi.
  3. boom krijgt jong blad in de lente.
  4. Ik lees boek.
  5. dag komt mijn vriend mij bezoeken.

Key

29. Gebruik mogelijke infinitieven, vergeet ‘te’ niet.

Voorbeeld: In de herfst beginnen de bladeren ... (vallen) – In de herfst beginnen de bladeren te vallen.

  1. In de lente beginnen de bomen jong blad . (krijgen)
  2. Op school beginnen de kinderen . (lezen, schrijven)
  3. Mijn vriend begint Nederlands . (leren, studeren)
  4. Nu beginnen de studenten Nederlands . (spreken)

Key

30. Zeg in het Nederlands:

  1. Мы начинаем учить нидерландский язык.
  2. Я начинаю говорить по-нидерландски.
  3. Он начинает читать по-нидерландски.

Key

31. Antwoord zoals in het voorbeeld:

Iedereen is op het ijs. Wat doet iedereen? (schaatsen) – Iedereen is aan het schaatsen.

  1. De kinderen zijn in de tuin. Wan doen ze? (spelen)
  2. De vader is boven. Wat doet hij? (lezen)
  3. De leraar staat voor de klas. Wat doet hij? (verklaren)
  4. Jan is op zijn kamer. Wat doet hij? (schrijven)

Key

32. Maak zoals in het voorbeeld:

De kinderen spelen in de tuin. – Ze zijn in de tuin aan het spelen.

  1. Mijn vriend vertaalt een boek.
  2. Het meisje leest een nieuwe krant.
  3. Piet schrijft een lange brief.

Key

33. Antwoord volgens het voorbeeld:

U leest een krant. Wat doet u? – Ik ben aan het lezen.

  1. U vertaalt een tekst. Wat doet u?
  2. U schrijft een brief. Wat doet u?
  3. U leest een tekst. Wat doet u?
  4. U leest een boek. Wat doet u?

Key

34. Antwoord zoals in het voorbeeld:

Regent het nog? – Ik geloof van wel. Ik geloof van niet.

  1. Dooit het nog?
  2. Sneeuwt het nog?
  3. Vriest het nog?
  4. Is hij nu thuis?
  5. Zijn de kinderen nog op school?
  6. Zijn we laat voor de les?

Key

35. Uw vriend vraagt u: Komt u/kom je vandaag bij ons?
Wat antwoordt u? (u bedankt, u gelooft van ...)

  1. U wilt komen.
  2. U kunt niet komen.
  3. Jewiet komen.
  4. Je kunt niet komen.

Key

36. Gebruik de namen van de jaargetijden.

Voorbeeld: In het ... krijgen de bomen nieuwe bladeren. – In het voorjaar krijgen de bomen nieuwe bladeren.

  1. In de kan het soms erg warm zijn.
  2. In de bloeien de bollenvelden.
  3. In de beginnen de bladeren te vallen.
  4. Sneeuw komt gewoonlijk in de .
  5. Mist en regen komen gewoonlijk in de .
  6. Na de komt de winter.

Key

37. Vul in:

vochtig, koud, jong, blauw, hoog, heet, mooi, warm, dicht, zacht, regenachtig
  1. Het voorjaar is .
  2. De bomen krijgen blad.
  3. De zon schijnt aan de hemel.
  4. In de zomer staat de zon .
  5. Het is soms .
  6. De wind waait.
  7. De mist is dikwijls .
  8. De winter is en .
  9. Het is buiten.

Key

38. Vertaal in het Nederlands:

Весна в Нидерландах самое хорошее время года. На голубом небе светит солнце. Распускаются листья на деревьях. Цветут цветы. Лето не жаркое, но часто идет дождь. Иногда бывает гроза. Осенью становится холоднее. Часто дует ветер. Начинают опадать листья с деревьев. Все время идет дождь или выпадает густой туман. Зима в Нидерландах мягкая и дождливая. Иногда идет снег, иногда подмораживает. Тогда все катаются на коньках. Но вскоре снег снова тает.

Key

39. Antwoord op de vragen over de tekst:

1. Hoeveel jaargetijden heeft het jaar? 2. Hoe heten de jaargetijden? 3. Wat is het mooiste jaargetijde in Nederland? 4. Welk jaargetijde is het nu? 5. Schijnt de zon? 6. Wat maakt het landschap mooi in de lente? 7. Hoe wordt het in de zomer? 8. Hoe staat de zon? 9. Wat komt er soms? 10. Hoe lang zijn de dagen in de herfst? En de nachten? 11. Beginnen de bladeren te vallen? 12. Hoe is de lucht in het najaar? 13. Wat voor weer is er in de herfst? 14. Hangt er een dichte mist in het najaar? 15. Hoe zijn de winters in Nederland? 16. Is het koud buiten? 17. Sneeuwt het dikwijls? 18. Vriest het? Wat doet iedereen dan? 19. Wanneer dooit het?

Key

40. Antwoordt:

1. Welk jaargetijde vindt u het mooist? 2. Welk jaargetijde is het nu? 3. Wat voor weer is het vandaag? 4. Regent het? 5. Sneeuwt het? 6. Waait het? 7. Is het vandaag mooi weer? 8. Is het warm? 9. Is het koud?

Key

41. Stel de vragen van de oef. 40 aan uw gesprekspartner.

42. Leer gesprekken op de blz. 75 uit het hoofd. **blz. 75 заменить на "под текстом урока".

43. U wilt een uitstapje maken. Stel uw gesprekspartner een vraag over het weer vandaag.

Key

44. Zet het gesprek voort:

— Wat voor weer is het vanmorgen?
— Het weer is mooi.

Key

45. Maak een gesprek:

— Wat voor weer is het vanmorgen?
— Het weer is niet erg mooi vanmorgen.

Key

46. Je houdt van (ты любишь) de lente (van de zomer, van het najaar, van de winter). Verklaar, waarom.

Key