Изучаем нидерландский язык с нуля!
Урок 14

Уроки с 7-го и далее будут доработаны в будущем. Ключей и исправлений пока нет.

Thema:

Medische hulp. Een bezoek aan de dokter. Перевод

Voorbeelden:

Hoe voelt u zich? – Как вы себя чувствуете? Wat ziet u er vandaag slecht uit. – Что-то вы сегодня плохо выглядете. Ik voel mij niet lekker (ziek). – Я неважно себя чувствую (чувствую себя больным). Ik heb kou gevat. – Я простудился. Ik heb hoofdpijn, buikpijn, kiespijn, pijn in de rug, koorts, ik moet hoesten. – У меня болит голова, живот, зуб, спина, у меня жар, кашель. Ik moet naar de dokter. – Я должен пойти к врачу. Wanneer heeft de dokter het spreekuur? – Когда принимает врач? Wie is er aan de beurt? – Чья очередь? Het is mijn (uw ...) beurt. – Сейчас моя (ваша ...) очередь. Wat scheelt er aan? – Что с вами? De dokter heeft mij een recept (pillen, poeders, een drankje) voorgeschreven. – Врач выписал мне рецепт (таблетки, порошки, микстуру). Er is niets ernstigs aan de hand. – Нет ничего страшного. Veel beterschap! – Выздоравливайте!

Grammatica:

Временные придаточные предложения с союзами nadat, voordat, voor. Придаточные предложения причины. Формы будущего в прошедшем. Модальные глаголы в сочетании с глаголами с отделяемыми приставками.

GESPREK

Anton: Wat zie je er vandaag slecht uit!
Jan: Ik vrees dat ik ziek ben. Ik heb de hele middag in bed gelegen.
A.: Ben je nu weer beter?
J.: Nog niet helemaal. Ik denk dat ik erg verkouden ben. Ik voel me al een poosje niet lekker.
A.: Heb je koorts?
J.: Ik geloof van wel. Maar ik heb mijn temperatuur nog niet opgenomen. Ik heb hoofdpijn en keelpijn.
A.: Jij moet onmiddelijk naar de dokter.

BIJ DE DOKTER

Jan: Goedemiddag, dokter.
Dokter: Dag meneer. Vertelt u maar eens wat er scheelt (Wat u heeft)?
J.: Ik ben al een paar dagen verkouden en ik voel me helemaal niet lekker. Toen ik vanmorgen op wilde staan, had ik ontzettend hoofdpijn.
D.: Hebt u ook keelpijn?
J.: Ja, mijn keel doet erg pijn.
D.: Doet u uw mond maar open. Ah, ik zie het al. Uw keel is helemaal rood en uw tong is beslagen. Daar zal ik u wel een drankje voor geven. Hebt u ook koorts?
J.: Ja, ik heb wel een beetje koorts.
D.: Slaapt u wel goed?
J.: Dat gaat wel. Alleen vannacht heb ik slecht geslapen.
D.: Mag ik dan nu uw hart en longen nog even onderzoeken? Wilt u diep in- en uitademen? Ik hoor het al. Er is niets ernstigs aan de hand. U hebt duidelijk griep. Ik zal u wat pillen tegen de koorts en hoofdpijn voorschrijven. Hier is het recept. De pilletjes moet u na de maaltijd innemen en dit 3 maal per dag. Van het hoestdrankje neemt u een eetlepel per dag. U moet minstens een week binnenblijven.
J.: Goed dokter.
D.: Toch wil ik ook uw bloed wel eens onderzoeken. Zou u daarvoor volgende week even op mijn spreekuur willen komen?
J.: Dat zal ik doen. Dank u wel. Dag dokter.
D.: Dag. Het beste, hoor!

NAAR DE DOKTER

Omdat Jan zich slecht voelde, ging hij ’s middags naar de dokter. Maar voordat hij naar de dokter ging, belde hij de assistente op.

In de wachtkamer van de dokter wachtten patiënten. De meesten lazen in de tijdschriften, waarvan er een aantal op een tafeltje lagen. Het was half twee. Het spreekuur van de dokter begint pas om twee uur, maar veel mensen komen liever een half uur vroeger. Er werd gebeld. De assistente zei tegen Jan die net binnenkwam: ‘Gaat u maar zitten. U wordt geroepen als u aan de beurt bent’. Jan moest dus een poosje wachten omdat er veel patiënten in de wachtkamer waren.

Anderhalf uur later was het zover. De dokter begon Jan eerst allerlei dingen te vragen. Of hij hoofdpijn had, of hij zich allang niet goed voelde, of hij ook buikpijn had en of hij goed sliep, of hij ook koorts had, of hij moest hoesten. De dokter vond namelijk dat Jan er slecht uitzag. Hij onderzocht hem helemaal. Hij voelde zijn pols, hij beklopte zijn borst en beluisterde zijn hart en zijn longen. Hij stelde vast dat Jan griep had. Hij schreef hem drie dingen voor: een drankje voor de keel, pillen tegen de koorts en poeders voor het hoofd. Drie maal daags moest hij de medicijnen innemen. De dokter zei dat hij minstens een week binnen moest blijven. Maar de dokter wilde toch ook dat Jan later in ieder geval nog even op zijn spreekuur zou komen om zijn bloed te laten onderzoeken. Nadat Jan zijn recepten naar de apotheek had gebracht, haaste hij zich naar huis en ging meteen naar bed. Later kon zijn moeder de medicijnen gaan halen.

UITSPRAAKOEFENINGEN

1. Lees:

[ɛi – e·]

kijk – keek, lijk – leek, blijk – bleek, blijf – bleef, schrijf schreef;
kijken – keken, lijken – leken, blijken – bleken, blijven – bleven, schrijven – schreven

[h]

aar – haar, eer – heer, oor – hoor, aan – haan, al – hal, oog – hoog, een – heen, ier – hier

2. Spreek uit: patient — [paʃj'ent], medicijn—[mɛdi'sɛin]

3. Let op de intonatie:

opstijgend – dalend
Ik vrées dat ik zièk ben.
Ik vrées dat ik kòu heb gevat.
dalend:
Jij moet onmiddelijk naar de dòkter.

Woorden en uitdrukkingen

ademen (d) дышать; 'inademen вдыхать; 'uitademen выдыхать
de apotheek, -theken аптека
de arts, -en врач; de keel-, neus- en oorarts врач-отоларинголог; de oogarts окулист; de tandarts зубной врач, стоматолог; de zenuwarts невропатолог
de assistente, -n ассистентка (зд.: медицинская сестра)
de beurt, -en очередь; aan de beurt zijn быть на очереди; Wie is er aau de beurt? Чья очередь? ’t is uw beurt ваша очередь; om de beurt по очереди, попеременно
binnenblijven (bleef binnen, is binnengebleven) не выходить на улицу; syn. in bed blijven лежать в постели
het bloed кровь; het bloed laten onderzoeken сдать анализ крови
de borst, -en грудь; de borst bekloppen (t) мед. выстукивать грудь
daags 1. в течение дня, 2. ежедневно
het ding, -en вещь
de dokter, -s, doktoren врач; de huisarts домашний врач
het drankje, -s микстура
het hoestdrankje микстура от кашля
de eetlepel, -s столовая ложка; een eetlepel per dag по столовой ложке в день
ernstig серьезный; Er is niets ernstigs aan de hand. Ничего серьезного.
genezen (genas, genezen) (z) выздоравливать; Veel beterschap! Выздоравливайте!
gezond здоровый; gezond worden выздоравливать
de gezondheid здоровье; de gezondheidstoestand состояние здоровья
het hart, -en сердце; het hart beluisteren выслушать сердце
de hartaanval сердечный приступ
hoesten (t) кашлять; ik moet hoesten у меня кашель
innemen (nam in, ingenomen) принимать; de medicijn innemen (na de maaltijd, voor de maaltijd) принимать лекарство (перед едой, после еды)
de klacht, -en жалоба
de koorts, -en лихорадка; koorts hebben иметь высокую температуру
de kou 1. холод 2. простуда; kou vatten простудиться
de long, -en легкое; de longen beluisteren выслушать легкие; de longontsteking воспаление легких
de medicijn, -en лекарство; syn. het geneesmiddel
de mond, -en рот; de mond opendoen открыть рот
nogal довольно, до некоторой степени; nogal goed довольно хорошо
onderzoeken (onderzocht, onderzocht) исследовать; iets laten onderzoeken сдать анализ
opnemen (nam op, opgenomen) зд.: измерять; de temperatuur opnemen измерить температуру
de patient, -en пациент
de pijn, -en боль
pijn hebben: ik heb hoofdpiju, keelpijn, buikpijn, kiespijn у меня болит голова, горло, живот, зуб
de pil, -len таблетка; pillen tegen de koorts таблетки от температуры
het poeder, -s порошок; hoofdpijnpoeders порошки от головной боли
de pols пульс; de pols voelen просчитать пульс
de poos пауза, промежуток времени; een poosje немного (о времени); een poosje wachten немного подождать
het poosje: een poosje немного (о времени); een poosje wachten немного подождать
het recept, -en рецепт; een recept uitschrijven выписать рецепт
schelen (d) недоставать; Wat scheelt u? Что с вами? Wat scheelt eraan? На что жалуетесь?
het spreekuur, -uren часы приема (врача); Wanneer heeft de dokter spreekuur? Когда принимает врач? op het spreekuur komen прийти в часы приема
de tong, -en язык; de tong is beslagen язык обложен
uitzien (zag uit, uitgezien) выглядеть; er slecht, goed, gezond uitzien выглядеть плохо, хорошо, здоровым; wat zie je (ziet U) er vandaag slecht uit как ты (Вы) плохо выглядишь сегодня
verkouden простуженный; verkouden worden, zijn простудиться, быть простуженным
vaststellen (d) устанавливать, определять
voelen (d) чувствовать; zich slecht, goed, niet lekker, nogal goed voelen чувствовать себя плохо, хорошо, неважно, довольно хорошо
vrezen (vreesde, gevreesd) бояться
voorschrijven (schreef voor, voorgeschreven) прописывать (лекарство)
ziek больной
het ziekenhuis, -huizen больница; in een ziekenhuis opgenomen worden лечь в больницу
de ziekte, -n болезнь
zover до сих пор, пока; het was zover подошла очередь
Het beste! Всего хорошего!

Грамматические пояснения к тексту

1. Временные придаточные предложения с союзами voordat и nadat

Во временных придаточных предложениях с союзом nadat глагол, выражающий сказуемое, стоит обычно в предпрошедшем времени, выражая предшествование одного действия другому, напр.:

Nadat Jan zijn recepten naar de apotheek had gebracht, haaste hij zich naar huis ...

Во временных придаточных предложениях с союзом voordat глагол, служащий для выражения сказуемого, стоит, как правило, в простом прошедшем времени (если же действие происходит в настоящем времени, то предшествование выражается союзом voor).

Maar voordat hij naar de dokter ging, belde hij de assistente op.
Voor je naar de dokter gaat, bel de assistente op.

2. Придаточные предложения причины отвечают на вопрос waarom? и вводятся союзами omdat, daar, doordat и т. д., напр.:

Jan moest dus een poosje wachten, omdat er veel patienten in de wachtkamer waren.
Omdat Jan zich slecht voelde, ging hij ’s middags naar de dokter.

3. Формы будущего в прошедшем (verleden toekomende tijd)

Будущее в прошедшем I

zou/den + инфинитив основного глагола

Лицо

Единственное число

ik
jij,
U
hij,
zij,
het

zou
zou

zou



} komen

Лицо

Множественное число

wij
zouden
jullie
zouden, zou
} komen
U
zou
zij
zouden

Будущее в прошедшем I выражает будущее время с точки зрения прошедшего момента. Будущее в прошедшем I сочетается с простым прошедшим временем (о. v. t.) и употребляется в основном в косвенной речи, напр.:

Maar de dokter wilde toch ook dat Jan later in ieder geval nog even op zijn spreekuur zou komen.

Будущее в прошедшем II

zou/den + перфектный инфинитив основного глагола

zou/den

+

gekomen zijn
geschreven hebben

Перфектный инфинитив образуется из сочетания причастия прошедшего времени спрягаемого глагола с инфинитивом соответствующего вспомогательного глагола hebben или zijn: gebracht hebben, gegaan zijn.

Будущее в прошедшем II употребляется для выражения действия, закончившегося до наступления другого действия в будущем, напр.:

De dokter zei(de) dat de patiёnt zou komen nadat hij minstens vijf dagen de medicijnen zou hebben ingenomen. (чаще: had ingenomen)

4. Если после модального глагола следует глагол с отделяемой приставкой, то в придаточных предложениях модальный глагол может стоять между отделяемой приставкой и глагольным корнем, напр.:

Toen ik vanmorgen op wilde staan, had ik ontzettend hoofdpijn.

Oefeningen

1. Doe goals in het voorbeeld, let op de vormen van het werkwoord:

Nadat Jan zijn recepten naar de apotheek had gebracht, ... . (Hij haaste zich naar huis.) – Nadat Jan zijn recepten naar de apotheek had gebracht, haaste hij zich naar huis.

  1. Nadat Jan met de assistente van de dokter had gesproken, ... . Hij moest een poosje in de wachtkamer zitten.
  2. Nadat Jan met de assistente van de dokter had gesproken, ... . Hij ging de wachtkamer binnen.
  3. Nadat Jan de assistente van de dokter had opgebeld, ... . Hij wist op welk tijdstip hij bij de dokter moest zijn.
  4. Nadat Jan bij de dokter was geweest, ... . Hij ging meteen naar huis.
  5. Nadat Jan bij de dokter was geweest, ... . Hij ging naar de apotheek.

Key

2. Antwoord volgens het voorbeeld:

Wat deed Jan, nadat hij uit vakantie was teruggekeerd? (naar de dokter gaan) – Nadat Jan uit vakantie was teruggekeerd, ging hij naar de dokter.

  1. Wat deed Jan, nadat hij met de assistente had gesproken (in de wachtkamer moeten wachten).
  2. Wat deed de dokter, nadat hij Jan had onderzocht (de medicijnen voorschrijven).
  3. Wat deed Jan, nadat hij de recepten had gekregen (naar de apotheek brengen).
  4. Wat deed Jans moeder, nadat de medicijnen waren klaargemaakt (uit de apotheek halen).

Key

3. Doe zoals in het voorbeeld. Verbind twee zinnen met nadat.

Voorbeeld: Jan had deze pillen ingenomen. Toen voelde hij zich wat beter. – Nadat Jan deze pillen had ingenomen, voelde hij zich wat beter.

  1. We hadden een paar uur gefietst. Toen kregen we honger.
  2. We hadden een poosje in de kou (regen) gestaan. Toen waren we verkouden.
  3. De nieuwe patient had iedereen begroet. Toen ging hij zitten.
  4. De dokter had zijn hart beluisterd. Toen schreef hij hem pillen voor.
  5. De patient had de kamer verlaten. Toen deed de assistente de deur dicht.

Key

4. Verbind twee zinnen met nadat.

Voorbeeld: Eerst nam Jan de temperatuur op. Dan ging hij naar de dokter. – Nadat Jan de temperatuur had opgenomen, ging hij naar de dokter.

  1. Eerst bracht Jan zijn recepten naar de apotheek. Dan ging hij naar huis.
  2. Eerst kocht hij de kaartjes voor de film. Dan belde hij zijn vriend op.
  3. Eerst bekeken wij de stad. Dan gingen we eten.
  4. Eerst belde Jan de assistente op. Dan kwam hij bij de dokter.

Key

5. Antwoord volgens het voorbeeld.

Voorbeeld: Wanneer begon Jan zich beter te voelen? (het medicijn innemen) – Nadat Jan het medicijn had ingenomen, begon hij zich beter te voelen.

  1. Wanneer schreef de dokter hem een hoestdrankje voor? (de longen beluisteren)
  2. Wanneer nam Jan het medicijn in? (bij de apotheek halen)
  3. Wanneer vertaalde hij het artikel? (uit vakantie terugkeren)
  4. Wanneer liet Jan zijn bloed onderzoeken? (zich beter voelen)

Key

6. Maak volgens het voorbeeld. Let op de vormen van het werkwoord.

Voorbeeld: Jan ging naar de dokter. Hij belde de assistente op. – Voordat Jan naar de dokter ging, belde hij de assistente op.

  1. Jan ging naar de dokter. Hij nam de temperatuur op.
  2. De dokter onderzocht Jan. Hij vroeg Jan allerlei dingen.
  3. De dokter schreef Jan een drankje voor de keel voor. Hij onderzocht (bekeek) zijn keel.
  4. Jan haaste zich naar huis. Hij bracht zijn recepten naar de apotheek.

Key

7. Verbind met voordat:

de medicijn innemen, met de dokter spreken – Voordat hij de medicijn innam, sprak hij met de dokter.

1. met vakantie gaan
allerlei medicijnen in de apotheek kopen
2. naar het restaurant gaan eten
een eetlepel van het drankje drinken
3. met vacantie gaan
zijn bloed laten onderzoeken
4. de medicijn voorschrijven
het hart en de longen van de patiёnt beluisteren

Key

8. Bevestig volgens het voorbeeld.

Voorbeeld: Neem dit poedertje in voor je gaat slapen. – Goed, ik neem dit poedertje in voor ik ga slapen.

  1. Neem de temperatuur op voor je naar de dokter gaat.
  2. Sluit het raam voor jullie de kamer verlaten.
  3. Lees iets over de stad voor u de stad gaat bekijken.
  4. Bel me op voor je weggaat.

Key

9. Verbind de zinnen met voor.

Voorbeeld: Ik moet je nog iets vragen. Ik vergeet het. – Ik moet je nog iets vragen voor ik het vergeet.

  1. Je moet het muntje in de automaat steken. Je draait het nummer.
  2. Het ongeluk was gebeurd. Ik begreep het.
  3. Je moet het medicijn innemen. Je gaat slapen.

Key

10. Vul in voordat of nadat:

  1. Jan zijn bloed had laten onderzoeken, kwam hij bij de dokter op zijn spreekuur.
  2. het zover was, moest Jan anderhalf uur in de wachtkamer zitten lezen.
  3. Hij moest een poosje wachten hij aan de beurt was.
  4. de dokter had vastgesteld, dat Jan griep had, schreef hij hem een medicijn voor.
  5. Jan thuis was gekomen, ging hij meteen naar bed.

Key

11. Hoe zegt u dat in het Nederlands?

После того, как Ян побывал у доктора, он стал принимать лекарства и выздоровел. (gezond worden). Перед тем, как пойти к врачу, Ян измерил температуру. Прежде чем выписать лекарства, врач осмотрел Яна. После того, как он прослушал его пульс, выслушал сердце и легкие, он прописал своему пациенту лекарства.

Key

Позвони, прежде чем пойти туда. Запиши этот телефон, прежде чем я его забуду. Прими лекарство, прежде чем лечь спать (перед сном).

Key

12. Antwoordt:

  1. Wat doet u voor u naar de dokter gaat?
  2. Wat doen de patiёnten voor ze door de dokter worden onderzocht?
  3. Wat vraagt de dokter gewoonlijk voor hij de patiёnt gaat onderzoeken?
  4. Wat doet de dokter voor hij u de nodige medicijnen voorschrijft?
  5. Wat doet de patiёnt nadat hij de recepten van de dokter heeft gekregen?

Key

13. Antwoord volgens het voorbeeld.

Voorbeeld: Als je je niet lekker voelt, ... (naar de dokter moeten). – Als je je niet lekker voelt, moet je naar de dokter.

  1. Als U kiespijn heeft, ... (naar de tandarts moeten).
  2. Als U last van uw ogen heeft, ... (naar de oogarts moeten).
  3. Als U zich ziek voelt, ... (thuisblijven moeten).
  4. Als U erg hoest, ... (drankje nemen moeten).
  5. Als U zich niet lekker voelt, ... (naar de dokter moeten).

Key

14. Gebruik omdat.

Voorbeeld: Waarom ging Jan naar de dokter? Hij voelde zich niet lekker. – Jan ging naar de dokter, omdat hij zich niet lekker voelde.

  1. Waarom ging Mies naar de dokter? Zij voelde zich ziek.
  2. Waarom ging Piet naar de dokter? Hij had ontzettend hoofdpijn.
  3. Waarom ging Kees naar de dokter? Hij had al lang keelpijn.
  4. Waarom moest Jan een poosje wachten? Er waren veel patiёnten in de wachtkamer.

Key

15. Antwoord op de vraag. Geef de oorzaak aan.

Voorbeeld: Waarom ga je niet naar buiten? (verkouden zijn). – Ik ga niet naar buiten omdat ik verkouden ben.

  1. Waarom drinkt u niets? (geen dorst)
  2. Waarom eet u niets? (geen honger)
  3. Waarom koop je dit boek niet? (geen geld)
  4. Waarom komt u ons niet bezoeken? (geen tijd)

Key

16. Zelfde opgave.

Voorbeeld: Waarom heeft hij deze medicijn niet ingenomen? De dokter heeft die hem niet voorgeschreven. – Hij heeft dit medicijn niet ingenomen omdat de dokter die hem niet heeft voorgeschreven.

  1. Waarom heeft hij ons niet geschreven? Zijn vader is ziek geweest.
  2. Waarom heeft hij zijn grootouders niet bezocht? Hij heeft geen vakantie gehad.
  3. Waarom heeft hij dit medicijn niet gekocht? Hij heeft er geen recept voor ontvangen.

Key

17. Geef de oorzaak aan; gebruik omdat.

Voorbeeld: Hij wacht lang in de wachthamer. (te vroeg komen) – Hij wacht lang in de wachtkamer omdat hij te vroeg komt.

  1. Hij neemt de temperatuur op. (hoofdpijn hebben)
  2. Hij koopt de pillen in de apotheek. (worden voorgeschreven)
  3. Hij wordt in het ziekenhuis opgenomen. (ernstig ziek zijn)
  4. Zij gaat naar bed. (zich niet lekker voelen)

Key

18. Gebruik omdat in plaats van want.

Voorbeeld: Ik verheug me op de avond want ik ga met mijn vriendin naar de bioscoop. – Ik verheug me op de avond omdat ik met mijn vriendin naar de bioscoop ga.

  1. Ik verheug me op deze zondag, want ik mag dan later opstaan.
  2. Ik verheug me op mijn vakantie, want we gaan die aan het water houden.
  3. Ik verheug me op het feestje, want daar zitten mijn vrienden samen.

Key

19. Verbind de zinnen met omdat.

Voorbeeld: Meneer De Wit heeft veel klachten. Hij gaat naar de huisarts. – Omdat meneer De Wit veel klachten heeft, gaat hij naar de huisarts.

  1. De dokter heeft nu spreekuur. Mr. De Wit is gauw aan de beurt.
  2. Mr. De Wit heeft koorts. De dokter onderzoekt hem heel nauwkeurig.
  3. Mr. De Wit heeft griep. Hij moet een week binnenblijven.
  4. Mr. De Wit heeft een medicijn nodig. De dokter schrijft hem er het recept uit.

Key

20. Maak af:

  1. Hij moet binnenblijven, omdat
  2. Wij blijven vandaag thuis omdat
  3. Ik moet onmiddelijk naar de apotheek omdat
  4. Ik kwam te laat omdat
  5. Omdat ik ziek ben geweest
  6. Omdat ik een ontzettende hoofdpijn heb gehad
  7. Daar ik geen recept had,
  8. Daar jij te laat bent gekomen,
  9. Daar in de wachthamer van de dokter veel patienten waren,

Key

21. Antwoordt:

  1. Waarom bent u niet naar de les geweest?
  2. Waarom bent u niet meteen naar de dokter gegaan?
  3. Waarom heeft de dokter u geen medicijn voorgeschreven?
  4. Waarom heeft u het hoestdrankje niet ingenomen?
  5. Waarom bent niet u naar de apotheek gegaan?

Key

22. Geef uw mening:

  1. Waarom rijdt men liever met de metro dan met de tram?
  2. Waarom brengt men zijn vakantie graag door op het land en niet in de stad?
  3. Waarom gaat uw vriend vaker naar de schouwburg dan naar de bioscoop?
  4. Waarom maakt u uw huiswerk liever thuis dan in de klas?
  5. Waarom schrijft u liever met pen dan met potlood?

Key

23. Hoe zeg je het in het Nederlands?

1. Янтье опять заболел. Янтье не пошел сегодня в детский сад (de kleuterschool), потому что он сильно простудился. Вчера после обеда погода была плохая. Когда Янтье вернулся с прогулки, мама рассердилась (boos worden op) на него, так как ноги у него были совсем мокрые. Вечером у Янтье поднялась температура. Так как у врача вечером были приемные часы, он пришел только утром. Врач осмотрел мальчика и прописал ему лекарства. «Выздоравливай», – сказал он на прощанье.

Key

2. Почему Пит не пошел сегодня к врачу? Пит не пошел сегодня к врачу, потому что сегодня суббота и врач не принимает. Пит не мог купить лекарство в аптеке, потому что у него не было рецепта.

Key

24. Zet in de indirecte rede.

Voorbeeld: De dokter vroeg: ‘Hebt u koorts?’ – De dokter vroeg of ik koorts had.

  1. De dokter vroeg: ‘Hebt u hoofdpijn?’
  2. De dokter vroeg: ‘Hebt u keelpijn?’
  3. De dokter vroeg: ‘Hebt u buikpijn?’
  4. De dokter vroeg: ‘Hebt u nog klachten?’
  5. De dokter zei: ‘Er is niets ernstigs aan de hand’.

Key

25. Zelfde opgave:

Voorbeeld: Ik zei: ‘Ik ben ziek’. – Ik zei dat ik ziek was.

  1. Ik zei: ‘Ik heb pijn in mijn rug’.
  2. Ik zei: ‘Ik ben weer beter’.
  3. Ik zei: ‘Ik heb koorts’.

Key

26. Maak volgens het voorbeeld. Vestig uw aandacht erop dat de o.t.t. vaak ook de toekomst uitdrukt.

Voorbeeld: De dokter zei: ‘U moet dit medicijn drie maal daags innemen.’ – De dokter zei dat ik dit medicijn drie maal daags zou moeten innemen.

  1. De dokter zei: ‘Ik zal uw bloed laten onderzoeken’.
  2. De dokter zei: ‘U moet over een paar dagen nog even op mijn spreekuur komen’.
  3. De dokter zei: ‘Ik kom over een paar dagen bij u terug’.
  4. Mijn vriendin zei: ‘Ik breng het recept naar de apotheek’.
  5. Mr. De Vries zei: ‘Ik zal dat u onmiddelijk meedelen’.
  6. Mijn vriend schreef: ‘Ik kom maandag met de trein aan’.

Key

27. Zelfde opgave:

Meneer de Vries vroeg: ‘Wilt u naar de apotheek gaan?’ – Meneer De Vries vroeg of ik naar de apotheek zou willen gaan.

  1. Mr. De Vries vroeg: ‘Wilt u een poosje blijven?’
  2. Mr. De Vries vroeg: ‘Wilt u een poosje wachten?’
  3. Mr. De Vries vroeg: ‘Wilt u uw bloed laten onderzoeken?’
  4. Mr. De Vries vroeg: ‘Wilt u over een week weer opbellen?’

Key

28. Maak zinnen volgens het voorbeeld:

Ik zal komen. – Hij was benieuwd of ik zou komen.

  1. Ik zal op zijn spreekuur komen.
  2. Ik zal mijn bloed laten onderzoeken.
  3. Ik zal in het ziekenhuis worden opgenomen.

Key

29. Maak zinnen met er... .

Voorbeeld: Meneer De Vries kon niet bij de lezing zijn. – Mr. De Vries kon er niet bij zijn.

  1. Ik kon niet over de film praten.
  2. Ik heb vaak met deze auto gereden.
  3. De dokter heeft voor het hoestdrankje een recept uitgeschreven.

Key

30. Vertaal in het Nederlands:

  1. Доктор сказал, чтобы пациент еще раз пришел к нему на прием.
  2. Он спросил, кто сможет взять для пациента лекарства в аптеке.
  3. Пациент сказал врачу, что он зайдет через неделю, чтобы сдать анализ крови.
  4. Медсестра сказала, чтобы пациент подождал в приемной.

Key

31. Vertaal in het Russisch:

  1. De meesten lazen in de tijdschriften, waarvan er een aantal op een tafeltje lagen.
  2. Anderhalf uur later was het zover.
  3. Later kon zijn moeder het medicijn gaan halen.

Key

32. Vertaal:

  1. Brengt u het woordenboek mee!
  2. Wilt u alstublieft uw schriften en boeken naar de les brengen!
  3. Hij brengt altijd iets voor de kinderen mee!
  4. Haal je alsjeblieft het drankje uit de apotheek voor je grootvader.
  5. Mijn vrouw moet om deze tijd ons dochtertje uit de kleuterschool gaan halen.
  6. Ik moet nog brood gaan halen.

Key

33. Brengen of halen?

  1. Piet moet morgen dit tijdschrift mee .
  2. Daar ik ziek thuis bleef, moest mijn moeder de voorgeschreven medicijn uit de apotheek gaan .
  3. Er was thuis geen brood en ik moest brood en melk uit de winkel .
  4. jouw boekje overmorgen mee, anders kan je de tekst niet volgen.

Key

34. Vertaal:

  1. Принеси мне из аптеки аспирин.
  2. Завтра я принесу эти фотографии на урок.
  3. Он принесет сегодня эту статью.
  4. Принесите эту книгу из библиотеки.

Key

35. Lees en vertaal:

aan de beurt: (на очереди)
Wie is er aan de beurt? Bent u aan de beurt? Ik ben aan de beurt. Denkt u dat wij gauw aan de beurt zullen zijn? Komen wij gauw aan de beurt?

Key

om de beurt: (по очереди, поочередно)
Wij lezen (in) dit boek, dit tijdschrift om de beurt.

Key

voor zijn beurt: (по порядку, в свою очередь)
Hij spreekt voor zijn beurt.

Key

de beurt krijgen: (получать возможность делать что-л.)
Wie krijgt er vandaag een beurt? U krijgt vandaag geen beurt.

Key

36. Wat zeg je in dit geval?

  1. U komt in de wachtkamer van de dokter. Er zijn veel mensen binnen. U vraagt:
  2. U wacht al lang in de wachtkamer. U wordt ongeduldig. U vraagt uw buurvrouw:
  3. Als twee leerlingen een zin (een gedichtje) een na de ander voorlezen, zegt u:
  4. Het is tijd dat er iemand iets over zegt. Hij spreekt
  5. De leerlingen moeten iedere dag om de beurt over het weer spreken. Wat vraagt de kleine Piet:

Key

37. Hoe zeg je het in het Nederlands?

  1. Чья сейчас очередь?
  2. Сейчас моя (ее, его, наша) очередь.
  3. Мы по очереди читаем эту книгу.
  4. Сегодня до тебя дойдет очередь.
  5. Чья очередь сегодня отвечать?

Key

38. Antwoord op de vragen over de tekst:

1. Waarom ging Jan naar de dokter? 2. Wist hij wanneer de dokter spreekuur had? 3. Werd Jan meteen door de dokter onderzocht? 4. Wat deden de patiёnten in de wachtkamer? 5. Was Jan gauw aan de beurt? 6. Welke klachten had Jan? (Wat scheelde er aan)? 7. Hoe zag hij er uit? 8. Heeft de dokter Jan helemaal onderzocht? 9. Heeft de dokter alleen zijn pols gevoeld? 10. Wat stelde de dokter vast? 11. Welke medicijnen heeft de dokter Jan voorgeschreven? 12. Hoe moest Jan de medicijnen innemen? 13. Waarom moest Jan later nog even op zijn spreekuur komen? 14. Haastte Jan zich meteen naar huis? 15. Wie heeft de recepten naar de apotheek gebracht? 16. Wie heeft de medicijnen uit de apotheek gehaald?

Key

39. Antwoordt:

1. Hoe staat het met uw gezondheid? 2. Bent u vorige week ziek geweest? 3. Welke klachten had u? (Wat scheelde er aan?) 4. Had u koorts? 5. Had u keelpijn (hoofdpijn, buikpijn)? 6. Hebt u de dokter in het huis geroepen of bent u zelf op het spreekuur bij de dokter geweest? 7. Heeft de dokter u goed onderzocht? 8. Heeft de dokter uw pols gevoeld? 9. Heeft de dokter uw borst beklopt? 10. Heeft de dokter uw hart en longen beluisterd? 11. Wat zei de dokter uw keel? 12. Welk medicijn heeft de dokter u voor de keel (tegen de koorts, voor het hoofd) voorgeschreven? 13. Vond de dokter dat u ernstig ziek was? 14. Moest u enige dagen binnenblijven? 15. Wilde de dokter later uw bloed laten onderzoeken? 16. Heeft u de recepten zelf naar de apotheek gebracht? 17. Waren de medicijnen gauw klaargemaakt? 18. Wie heeft de medicijnen uit de apotheek gehaald?

Key

40. Hoe zeg je dat in het Nederlands?

1. U voelt zich niet lekker. U belt uw dokter op. Wat vraagt u de assistente? 2. U komt in de wachtkamer van de dokter. Binnenin zitten er veel mensen. Wat vraagt u? 3. Wat vraagt de dokter u als u binnenkomt? 4. Hoe beschrijft u uw klachten? 5. Welke lichaamsdelen kent u? 6. Hoe onderzoekt de dokter een patiёnt die keelpijn heeft? (die over de zwakte klaagt, die erg moet hoesten?) 7. Welke medicijn schrijft de dokter voor? 8. Wat doet de dokter als hij niet zeker is dat de patiёnt helemaal is genezen? 9. Waar worden de medicijnen (geneesmiddelen) klaargemaakt? 10. Wat wenst u aan iemand die ziek is?

Key

41. Stel uw gesprekspartner vragen over zijn gezondheid. Je weet dat hij kort geleden ziek was.

Key

42. Beschrijft uw bezoek aan de dokter.

Key

43. Leest de tekst. Bent u al lang bij de tandarts niet geweest?

Als u kiespijn hebt, moet U naar de tandarts toe. Die kijkt Uw gebit na, maakt uit welke kies of tand pijn doet en vult hem als hij daar tenminste al niet te slecht voor is. Als hij niet meer gevuld kan worden, moet hij getrokken worden.

Key

Woorden

het gebit челюсть, зубы
de kies коренной зуб
de tand, -en зуб
de tandarts, -en зубной врач
de tand vullen пломбировать зуб
de tand trekken вырывать зуб