Изучаем нидерландский язык с нуля!
Урок 10

Уроки с 7-го и далее будут доработаны в будущем. Ключей и исправлений пока нет.

Thema: Het eten in Nederland.

Voorbeelden:

Zullen wij vanavond samen gaan eten? – Не пойти ли нам вместе поужинать? Ik wou graag ... hebben (nemen). – Я хотел бы заказать ... . Wat kunt u aanbevelen? – Что вы можете порекомендовать? Ik wil graag even afrekenen (Rekening, alstublieft). – Я хотел бы рассчитаться. Smakelijk eten! – Приятного аппетита! Ik heb geen trek. – У меня нет аппетита. Ik heb honger, dorst. – Я хочу есть, пить.

Grammatica:

Способы выражения будущего времени zullen + инфинитив, gaan + инфинитив. Употребление существительных без артикля. Конструкция с men. Употребление модальных глаголов без инфинитива. Конструкции ik wou graag, ik wil graag и т.д.

UIT ETEN

Jan: Anton, zullen wij vanavond gezellig ergens samen gaan eten?
Anton: Dat vind ik een uitstekend idee.
J.: Wil je wel naar een gewoon Nederlands restaurant?
A.: Ik vind het best.
J.: Ik zal beneden op jou (je) wachten.
A.: Goed, dat is afgesproken.

IN HET RESTAURANT

Kelner: Goedenavond, heren. Hier is de menukaart.
Jan, Anton: Goedenavond, ober.
K.: Wilt u nog even wachten of kan ik de bestelling al opnemen?
J.: Graag, wat voor soep hebt u?
K.: We hebben kippesoep, groente – en tomatensoep, meneer.
J.: Zeg jij het maar, Anton.
A.: Ik heb niet veel trek. Dan maar tomatensoep.
J.: Ik ook graag.
K.: Dus twee tomatensoep. En verder? Mag ik u aanbevelen? Wat vindt u van tongetje met boter en citroen, aardappelen en sla?
A.: Dat lijkt me wel lekker.
J.: Ik heb flinke honger. Geeft u mij maar een biefstuk met doperwtjes en gekookte aardappelen.
K.: Tot uw dienst, meneer. En als dessert?
J.: Ik wilde graag een kopje koffie.
A.: Goed, ik ook.
J.: Twee koffie, ober.
K.: Uitstekend. Wilt u vooraf nog iets drinken?
J.: Ja, zeker, ik heb dorst. Brengt u ons mineraalwater.
K.: Goed. Is er nog iets anders tot uw dienst, heren?
J.: Nee, dank u wel, ober.

De tafel is al gedekt, voor ieder liggen grote en kleine vorken, messen en lepels en ook een servet. Er is ook peper, zout en een bordje met broodjes op tafel. De kelner brengt mineraalwater en daarna soep.

‘Smakelijk eten’, zegt hij.

Bij het eten vertelt Jan over Nederlandse maaltijden. Het ontbijt bestaat in Holland meestal uit thee of koffie, een ei en brood of beschuit met boter, kaas, worst of jam.

’s Middags drinkt men koffie of thee en eet men boterhammen met kaas, vlees en soms ook jam of honing, en dat noemt men een koffiemaaltijd (koffietafel).

Om ongeveer vier uur drinkt men thee of koffie met alleen wat koekjes.

’s Avonds eet men warm: soep, aardappelen, vlees of vis en groenten, een dessert en gewoonlijk ook nog koffie. Deze maaltijd heet het diner of later in de avond het avondeten of het souper.

De meeste Nederlanders eten thuis, maar er is, vooral in grote steden, een groot aantal cafe’s en restaurants.

* * *

  De soep is goed, ook vis en biefstuk zijn uitstekend. Het restaurant heeft een goede keuken.
Jan: Ober, wij willen graag even afrekenen.
Kelner: Zeker, meneer. Hier is de rekening. Heeft het lekker gesmaakt?
J.: O ja, dank u.
  De vrienden betalen.
K.: Bedankt. Dag, heren.
  Jan en Anton verlaten het restaurant.

UITSPRAAKOEFENINGEN

1. Lees:

[v]

vanavond – zullen wij vanavond
verder – en verder
vooraf – wilt u vooraf
vorken – kleine vorken
servet – en servet
vertelt – bij het eten vertelt
Om ongeveer vier uur.

[tjə]

tongetje ['tɔŋətjə]:
Wat vindt u van tongetje met boter en citroen?

2. Let op de intonatie:

dalend:

Ik 'vind het bèst.
Hier is de spìjskaart.
Zeg jìj het maar.
Dat 'lijkt me wel lèkker.
Wat voor sòep hebt u?
Wij willen graag even àfrekenen.
Gòed, dat is àfgesproken.

opstijgend:

Mag ik u áanbevelen?
Heeft het u 'lekker gesmáakt?

Woorden en uitdrukkingen

'aanbevelen рекомендовать; Mag ik u aanbevelen...? Могу я порекомендовать...? Wat wilt u ons aanbevelen? Что вы можете нам порекомендовать?
het aantal, -len число; een groot aantal restaurants много ресторанов
de aardappel, -en картофель; gekookte aardappelen отварной картофель; gebraden ~ (friet) жареный картофель
'afrekenen рассчитываться; Wij willen afrekenen. Мы хотим рассчитаться.
'afspreken договариваться; dat is afgesproken договорились
de beschuit, -en сухарик
bestaan (uit) состоять (из)
de bestelling, -en заказ; de bestelling opnemen взять, принять заказ
bedankt спасибо
de biefstuk, -ken бифштекс; niet te gaar недожаренный (с кровью); goed doorgebraden хорошо прожаренный
het bord, -en тарелка
de boter масло (сливочное)
de boterham, -men бутерброд
brengen приносить
het brood, -en хлеб; het broodje булочка
het café, -s кафе
de citroen, -en лимон
dekken покрывать, накрывать
de tabel dekken накрывать на стол
het dessert, -en дессерт
het diner [di·ne·], -s ужин
de doperwtjes ['dɔpɛrwtjəs] зеленый горошек
de dorst жажда; (flinke) dorst hebben (очень) хотеть пить
de drank, -en напиток; het hier, de wijn, de jenever пиво, вино, джин
drinken пить
het ei, eieren яйцо
ergens где-нибудь, где-либо; ant. nergens нигде
eten есть; warm eten есть горячее
gebruiken употреблять
gedekt накрытый; de tafel is gedekt стол накрыт
gewoon обычный
gewoonlijk обычно
de groente -s, -n овощи, зелень
de ham ветчина
de honger голод; (flinke) honger hebben быть (очень) голодным
de honing мед
de jam [ʒem] джем
de kaas, kazen сыр
de kelner, -s официант, кельнер; Ober! Официант!
de koek, -en пирог; het koekje печенье
de koffie кофе
de kop, -pen чашка; het kopje koffie чашечка кофе
lekker вкусный, вкусно; dat lijkt mij wel lekker мне кажется это вкусно
de lepel, -s ложка
lijken казаться
de lunch [lunʃ] ленч, ранний обед (12 – 1330)
de maaltijd, -en еда, время еды
het menu, -s меню; syn. de menukaart
het mes, -sen нож
het ontbijt, -en завтрак
ontbijten завтракать
de peper перец
de rekening, -en счет; Kelner, rekening, alstublieft. Официант, пожалуйста, счет.
het restaurant, -s [rɛstorã, ~ rant] ресторан
samen вместе
het servet, -ten салфетка
de sla салат
smaken быть вкусным; Heeft het u lekker gesmaakt? Вам понравилось? (о еде); Smakelijk eten! Приятного аппетита!
de soep суп; kippesoep куриный суп; tomatensoep томатный суп (суп-пюре); groentesoep овощной суп
het souper [su'pe·], -s ужин (после 8-ми часов)
de thee чай; een kopje thee чашка чая
de tong язык (зд.: камбала)
de trek зд.: аппетит; (niet) veel trek hebben (не) иметь аппетита
uitstekend прекрасно
vertellen рассказывать
de vis, -sen рыба
het vlees мясо; rundvlees говядина; schapevlees баранина; varkensvlees свинина; Wat eet u liever: vlees of vis? Что вы предпочитаете: мясо или рыбу?
de vork, -en вилка
het water вода; mineraalwater минеральная вода
de worst колбаса
het zout,-en соль

Грамматические пояснения к тексту

Будущее время

1. Будущее время (de toekomende tijd)

zullen в настоящем времени + инфинитив основного глагола

Лицо

Единственное число

ik
zal
 
jij
zult (zal)
 
U (u)
zult (zal)
} werken
hij, zij, het
zal
 

Лицо

Множественное число

wij
zullen
 
jullie
zullen (zult)
 
U (u)
zult
} werken
zij
zullen
 

Глагол zullen стоит на втором месте в предложении, инфинитив глагола – в конце: Goed, ik zal op je beneden wachten.

Для выражения начинательности действия в нидерландском языке используется также конструкция gaan + инфинитив глагола:

Hij gaat Nederlands (Russisch) studeren.
Zij gaat even koffie drinken.

В значении будущего могут употребляться формы настоящего времени:

Morgen vlieg ik naar Amsterdam.

Примечание: Форма будущего времени с zullen используется также для выражения побуждения, приглашения к действию, напр.:

Zullen wij vanavond gezellig ergens samen gaan eten?

2. Перед вещественными существительными, обозначающими вещества в неопределенном количестве, артикль отсутствует, напр.:

Om ongeveer vier uur drinkt men thee of koffie.
Brengt u ons mineraalwater, a.u.b.!

Если имеется в виду определенная мера вещества, то употребляется определенный артикль, напр.:

De koffie is goed.

(Этот) кофе хорош.

3. В предложениях с неопределенно-личным местоимением men глагол стоит в 3-м лице единственного числа, напр.:

’s Middags gebruikt men meestal koffietafel.
’s Avonds eet men warm.

Конструкции c men соответствуют в русском языке неопределенно-личным глагольным формам:

В обед предлагают чаще всего «кофейный стол».
Вечером едят горячее.

4. Модальные глаголы moeten, willen, mogen в разговорной речи часто употребляются без последующего инфинитива. Смысл предложения легко дополняется контекстом. Чаще всего опускается инфинитив со значением движения – gaan, lopen или обозначающий конкретное действие, понятное из ситуации, напр.:

Wil je wel naar een gewoon Nederlands restaurant? (gaan)
Wilt u vis of vlees? (eten)

5. Для выражения вежливого желания в нидерландском языке употребляется конструкция с формой простого прошедшего времени от глагола willen: wilde/wilden + graag + инфинитив или конструкция zou/den + graag + willen + инфинитив, напр.:

Ik wilde graag een kopje koffie (drinken).
Ik zou graag een kopje koffie willen drinken.

Иногда в такой конструкции глагол willen используется в настоящем времени, напр.: Wij willen graag even afrekenen.

Oefeningen

1. Vul in:

Ik zal morgen bij u komen eten.

  1. Jij morgen bij mij komen eten.
  2. je morgen bij mij komen eten?
  3. Hij morgen bij mij komen eten.

Key

2. Vul in:

  1. U zult niet lang wachten.
  2. Wij zullen een kopje koffie drinken.
  3. Henk zal deze soep niet eten.

Key

3. Bevestig, dat iemand hetzelfde zal doen.

Voorbeeld: Ik drink thee. – Henk zal ook thee drinken.

  1. Ik eet geen soep.
  2. Ik wacht op hem beneden.
  3. Ik bestel een kopje koffie.

Key

4. Zet in de toekomende tijd.

Voorbeeld: Wij zitten aan het ontbijt. – Wij zullen aan het ontbijt zitten.

  1. Wij betalen meteen de rekening.
  2. Wij drinken nog iets.
  3. Wij gaan samen eten.
  4. Hij vertelt over Nederlandse maaltijden.

Key

5. Maak een vraag.

Voorbeeld: We gaan in een restaurant eten. – Zullen we in een restaurant gaan eten?

  1. Jij eet vandaag thuis.
  2. Hij eet deze soep graag.
  3. We eten ’s avonds warm.
  4. Jij ontbijt vanmorgen wat later.
  5. Jij staat vanmorgen wat later op.

Key

6. Bevestig.

Voorbeeld: Ik kom meteen naar beneden. Zul je op me wachten? – Ja, ik zal beneden op je wachten.

  1. Ik ga naar een cafe. Zul je meegaan?
  2. Hij gaat een kopje koffie drinken. Zullen wij meegaan?
  3. Zij gaat naar Amsterdam. Zal zij aan ons schrijven?
  4. Ik eet graag vlees. Zul je ook vlees eten?

Key

7. Vul ‘zullen’ in:

  1. Jij naar het cafe meegaan.
  2. Hij een kopje thee drinken.
  3. Ze vandaag vis eten.
  4. We samen koffie drinken.
  5. Marie vanavond thuis eten.

Key

8. Antwoord naar het voorbeeld:

Bestel vis! – Natuurlijk zal ik vis bestellen.

  1. Betaal de rekening!
  2. Drink jouw koffie!
  3. Wacht tien minuten op mij!

Key

9. Vraag jouw gesprekspartner zijn woorden te herhalen:

Ik kom morgen. – Wat zeg je? Wanneer zul je komen?

  1. Ik bestel nog een dessert.
  2. Ik eet nog een koekje.
  3. Ik drink nog een kopje koffie.

Key

10. Lees de tekst: ‘Henk’s dag’.

Henk staat gewoonlijk om 7 uur ’s morgens op. Hij gaat naar de badkamer, poetst zijn tanden, wast zich, kleedt zich aan. Dan gaat hij ontbijten. Hij drinkt een kopje koffie, eet een ei en twee boterhammen. Daarna gaat hij naar de universiteit. Iedere dag hebben ze taallessen. Henk heeft vier lessen. Dan loopt hij colleges. ’s Middags gaat Henk naar huis. Om zes uur eet het gehele gezin warm. Dan leest hij nog wat kranten en kijkt TV. Om tien uur gaat hij naar bed.

Key

Woorden

opstaan вставать
poetsen чистить
de tanden poetsen чистить зубы
zich wassen умываться
zich aankleden одеваться
naar bed gaan ложиться спать

De ene werkdag lijkt op de andere. Zal Henk morgen hetzelfde doen? Vertel erover.

11. Wat zult u morgen doen?

12. Bevestigt of ontkent:

  1. Zult u morgen wat vroeger opstaan?
  2. Zult u morgen wat later ontbijten?
  3. Zult u ’s avonds warm eten?
  4. Zult u meteen de rekening betalen?
  5. Zult u nog een kopje koffie drinken?

Key

13. Antwoord.

Voorbeeld: Zullen we vanavond samen gaan eten? – Ja, laten we vanavond samen gaan eten.

  1. Zullen we een kopje koffie gaan drinken?
  2. Zullen we deze brief samen gaan schrijven?
  3. Zullen we naar het restaurant samen gaan?

Key

14. Maak aldus het voorbeeld; gebruik het bepaalde lidwoord.

Voorbeeld: Wij eten soep. soep is goed.

  1. Wij eten vis. vis is uitstekend.
  2. Wij eten vlees. vlees is heerlijk.
  3. Wij eten biefstuk. biefstuk is goed doorgebraden.
  4. Wij drinken koffie. koffie is lekker.
  5. Wij drinken thee. thee is sterk.
  6. Wij drinken water. water is koud.

Key

15. Hoe zeg je het in het Nederlands?

  1. Когда мы будем сегодня завтракать?
  2. Официант принесет нам меню.
  3. Я закажу кофе.
  4. Сегодня мы будем ужинать позже.
  5. Давайте поужинаем сегодня вместе?
  6. Я подожду тебя внизу.
  7. Что мы будем есть?

Key

16. Maak zoals het voorbeeld.

Voorbeeld: Hij zegt iets. – Hij gaat iets zeggen.

  1. Wij eten nu soep.
  2. Wij drinken koffie met koekjes.
  3. Zij logeert bij haar vriendin.
  4. Ik woon in een hotel.
  5. Mijn broer leert Nederlands.

Key

17. Maak een vraag:

Ik ga al soep bestellen. – Wat voor soep gaat u bestellen?

  1. Ik ga al vlees bestellen.
  2. Ik ga al dessert bestellen.
  3. Ik ga vis bestellen.

Key

18. Gebruik men volgens het voorbeeld:

Wij eten om twee uur warm. – Men eet om twee uur warm.

  1. Wij ontbijten ’s morgens om zeven uur.
  2. ’s Morgens om half elf drinken wij koffie.
  3. Om een uur ’s middags gebruiken wij koffietafel.
  4. Wij kunnen soep bestellen.
  5. Wij drinken om vijf uur thee of koffie.
  6. In de les spreken wij Nederlands.
  7. Nu vertalen wij uit het Nederlands in het Russisch.

Key

19. Zeg in het Nederlands:

1. В Нидерландах пьют много кофе.
2. Здесь можно съесть горячее.
3. В ресторане завтракают с (vanaf) 7 до (tot) 10 часов.

20. Schrijf de zinnen uit de oef. 19 op.

Key

21. Maak een vraag.

Voorbeeld: Ik heb al een kopje koffie. – Mag ik nog een kopje koffie?

  1. Ik heb al een kopje thee op.
  2. Ik heb al een boterham op.
  3. Ik heb al een koekje op.
  4. Ik heb al een appel op.

iets op hebben – выпить, съесть что-либо

Key

22. Maak een vraag.

Voorbeeld: Mijn koffie is niet lekker. – Mag ik een ander kopje koffie?

  1. Mijn thee is niet lekker.
  2. Mijn appeltje is niet lekker.
  3. Mijn koekje is niet lekker.

Key

23. Kies.

Voorbeeld: Wat eet je liever: vis of vlees? – Ik eet liever vis.

  1. Wat eet je liever: kippesoep of groentesoep?
  2. Wat drink je liever: koffie of thee?
  3. Wat neem je liever: kaas of worst?
  4. Wat eet je liever: brood of beschuit?

Key

24. Antwoord.

Voorbeeld: Wat wilt u drinken? (koffie) – Ik wou graag koffie drinken.

  1. Wat wilt u drinken? (thee, mineraalwater, koffie)
  2. Wat wilt u eten? (vis, vlees, groenten, aardappelen)

Key

25. Antwoord naar het voorbeeld:

Wilt u koffie? Of misschien thee? – We willen geen koffie, we wilden graag thee.

  1. Wilt u thee? Of misschien koffie?
  2. Wilt u worst? Of misschien kaas?
  3. Wilt u vlees? Of misschien vis?

Key

26. Zet voort naar het voorbeeld:

Mijn boek is niet goed. – Ik zou graag een ander boek hebben.

  1. Mijn kopje is niet goed.
  2. Mijn mes is niet goed.
  3. Mijn kamer is niet goed.
  4. Mijn bord is niet goed.

Key

27. Vul in:

  1. Ik wilde graag eten.
  2. Ik wilde graag drinken.
  3. Ik wilde graag kijken.

Key

28. Maak volgens het voorbeeld:

Mijn broer eet warm. – Ik wilde ook graag warm eten.

  1. Mijn zusje eet een koekje.
  2. Piet en Nel drinken koffie.
  3. Marie eet aardappelen en sla.

Key

29. Ontkent:

Wilt u vis? – Neen, dank u, ik eet niet graag vis.

  1. Wilt u aardappelen?
  2. Wilt u soep?
  3. Wilt u sla?
  4. Wilt u jam?

Key

30. Antwoordt:

Voorbeeld: Wilt u misschien eerst een kopje koffie? – Graag. Ik wilde graag een kopje koffie.

  1. Wilt u misschien eerst wat drinken?
  2. Wilt u misschien eerst wat soep?
  3. Wilt u misschien eerst een kopje thee?

Key

31. Vertaal in het Nederlands:

  1. Не пообедать ли нам сегодня вместе? – Прекрасная идея! Договорились.
  2. Я не очень хочу есть. Принесите мне чашку кофе с пирожком.
  3. Рыба кажется мне очень вкусной.
  4. Что ты будешь пить, чай или кофе? Я бы выпил чашку кофе.
  5. Я не люблю мясо.
  6. Я очень голоден. Какой у вас суп?
  7. Я хочу пить. Дайте мне воды.
  8. У этого ресторана хорошая кухня.
  9. Бифштекс превосходный.

Key

32. Antwoord op de vragen over de tekst:

1. Met wie gaat Anton vanavond samen eten? 2. Naar welk restaurant willen ze gaan eten? 3. Waar zal Jan op Anton wachten? 4. Wie begroet hen in het restaurant? Hoe noemt men een kelner in een restaurant? 5. Wat geeft de kelner hen? 6. Welke soep bestellen de vrienden? 7. Heeft Anton honger? 8. Wat vindt hij lekker? 9. Heeft Jan flinke honger? 10. Wat bestelt Jan liever: vlees of vis? 11. Wat willen de vrienden als dessert? 12. Willen ze vooraf nog wat drinken? Waarom? 13. Wat zegt men in Nederland bij het eten? 14. Heeft het restaurant een goede keuken? 15. Wat brengt de kelner na het eten? 16. Waarover vertelt Jan bij het eten? 17. Wat weet u over het eten in Nederland? 18. Wat eten de Nederlanders bij het ontbijt? 19. Welke maaltijd gebruikt men ’s middags? 20. Hoe heet de avondmaaltijd? 21. Waar eten de meeste Nederlanders?

Key

33. Antwoordt:

1. Wat drinkt u bij het ontbijt? 2. Wat eet u bij het ontbijt? 3. Wat eet u liever: kaas of worst? 4. Eet u iets warms bij het? 5. Waar eet u ’s middags? 6. Wat eet u liever: vlees of vis? 7. Eet u iedere dag soep? 8. Wat eet u ’s avonds? 9. Eet u in de ’s avonds warm? 10. Wat drinkt u ’s avonds liever: koffie of thee? 11. En ’s ochtends?

Key

34. Hoe zeg je dat?

  1. U maakt een afspraak met uw vriend. Hoe bevestigt u de afspraak?
  2. U bestelt soep, biefstuk met aardappelen en sla, daarna nog wat vis, en als dessert natuurlijk een kopje koffie. Wat zegt u bij de bestelling?
  3. U eet niet graag vis (ijs). Hoe zegt u dat?
  4. U bestelt voor u enige kopjes thee achter elkaar. Wat betekent dat?
  5. Wat zegt u bij het eten?

Key

35. Antwoordt:

1. Eet u liever thuis of in een restaurant? 2. Gaat u soms met uw vrienden in een restaurant eten? 3. Neemt de kelner uw bestelling meteen op? 4. Wat neemt u liever: vlees of vis? 5. Wat bestelt u gewoonlijk als dessert? 6. Drinkt u iets bij het eten? 7. Wat brengt de kelner na het eten?

Key

36. Hoe vraag je in een restaurant:

  1. naar de menukaart:
  2. naar de rekening:

Gebruikt in uw vragen het werkwoord mogen.

Key

37. Maak een situatie: U hebt flinke honger. U gaat naar een restaurant eten.

Kelner:
goedenavond
Gebruikt:
de menukaart
Hier is de menukaart.
Kan ik de bestelling al opnemen?
 
Mag ik u aanbevelen?
hebben, soep, liever, vis, lekker, lijken
Tot uw dienst, meneer.
 
En als dessert?
een kopje koffie
Wilt u vooraf nog wat drinken?
Is er nog iets anders voor uw dienst, meneer?
mineraalwater

Key

38. Maak een situatie:

U zit in een restaurant, maar u hebt niet veel trek. U hebt dorst. Wat bestelt u?

Key

39. In welke situatie zeg je ‘Smakelijk eten!’

Key

40. Hoe zeg je in het Nederlands?

  1. Не пойти ли нам вместе пообедать?
  2. Принесите меню, пожалуйста.
  3. Что вы нам предложите?
  4. Мы хотим рассчитаться.
  5. Приятного аппетита!

Key

41. Vertel over het eten in Nederland. Eet men in ons land ook zo? Gebruik volgende woorden en uitdrukkingen:

eten, drinken, koffie, thee, boterhammen, brood, boter, kaas, worst, jam, bestaan, gebruiken, warm eten, soep, aardappelen, groenten, sla, vlees, vis

Key

42. Lees een gesprek:

— Een kopje koffie, meneer Vermeer?
— Ja, graag.
— Slap of sterk? En gebruikt u suiker en melk?
— Niet te sterk, alstublieft. En een klontje en een wolkje melk.

Key

Woorden

slap слабый (о чае, кофе)
sterk крепкий (о чае, кофе)
suiker сахар
het klontje (suiker) кусочек caxapa
melk молоко
een wolkje melk немного молока

43. Antwoord:

1. Wil meneer Vermeer een kopje koffie? Hoe drinkt hij zijn koffie liever: slap of sterk? Gebruikt hij suiker en melk? 2. Hoe drinkt u thuis uw thee: slap of sterk? Gebruikt u suiker en melk? Wilt u nu een kopje thee? Of liever koffie?

Key

44. Stel een verhaaltje op:

Uw gast wil graag een kopje koffie.

Key

45. Lees:

Het ontbijt

Mevrouw De Wit gaat naar de keuken en maakt het ontbijt klaar. Ze zet koffie en dekt de tafel.
— Vader, kom je ontbijten!
— Kinderen, het ontbijt is klaar.
  Meneer De Wit en de kinderen komen ontbijten.
— Goedemorgen, mams!
— Goedemorgen, paps!
— Dag Anneke!
— Dag Wim!

Meneer de Wit snijdt brood. Mevrouw De Wit smeert de boterhammen.
— Wil je jam of honing, Anneke?
— Ik wil graag een broodje met honing.
— En ik een boterham met jam, alsjeblieft.
— Hoe laat komen jullie thuis, Wim?
— Ik – om één uur.
— Goed, het eten is om één uur klaar.

Zij zet een ketel water op en begint aan de afwas. Ze wast de borden af, en de kopjes, de schoteltjes, de koffiepot, de messen, de vorken en de lepels.

Key

Woorden

afwassen мыть посуду
de afwas мытье посуды
de ketel зд.: чайник
klaar готовый
iets klaar maken готовить (также о еде)
opzetten зд.: ставить на огонь
de pot, -ten горшок
de koffiepot кофейник
het schoteltje, -s блюдце
snijden резать
smeren мазать
zetten поставить
koffie zetten варить кофе

46. Situaties:

1. Het eten is klaar. U dekt de tafel. Wat zet u op de tafel? Wat legt u bij de borden? (links, rechts)

2. De koffie is klaar. Hoe dekt u de tafel voor de koffie?

3. Hoe maakt mevr. De Wit het ontbijt klaar?

Key